Straf(proces)recht

Getuigenissen

Als het bewijs tegen een verdachte uitsluitend of in beslissende mate wordt gebaseerd op één getuigenverklaring, dan dient de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld – indien zij dat wenst – om die getuige effectief te kunnen horen.

Deze regel vormde de kern van het geschil in de zaak- Vidgen, waarin het EHRM de Nederlandse strafrechter op de vingers tikte omdat Vidgen was veroordeeld op de belastende verklaring van een medeverdachte die zich steeds had verschoond, en er feitelijk nauwelijks ander bewijs bestond. Nadat de Hoge Raad de zaak in herziening casseerde, was het de beurt aan het Gerechtshof Den Bosch om het ondervragingsrecht practical and effective te laten zijn, zoals artikel 6 EVRM voorschrijft.
Hoewel de destijds belastende medeverdachte zich inmiddels niet meer kon verschonen, kon die zich vijftien jaar na de oorspronkelijke feiten ook niets meer herinneren. Het verhoor was een weinig vruchtbare poging om de getuigenverklaring tegen het licht te houden. Het hof oordeelde echter dat de verdediging nu wel degelijk een behoorlijke kans had gehad en dat geen sprake was van een inbreuk op het ondervragingsrecht, zodat Vidgen opnieuw kon worden veroordeeld. De Hoge Raad liet deze uitspraak opmerkelijk genoeg in stand, en stevent daarmee af op een nieuwe uitbrander van het EHRM.

De manier waarop de feitenrechter en de Hoge Raad omspringen met deze problematiek, is namelijk formalistisch. Dit volgt uit de zaak-Keskin, waarin ook een klacht tegen Nederland is ingediend, maar waarvan op voorhand is toegezegd dat de erkende schending van het ondervragingsrecht zal worden gerepareerd (ondanks de eerdere 80a RO). AG Spronken behandelt Keskin in haar conclusie in een andere zaak met vergelijkbare problematiek en analyseert op welke punten het Nederlandse beoordelingskader ten onrechte afwijkt van dat van het EHRM: de Hoge Raad legt het initiatief bij de verdediging en gaat voorbij aan de fundamentele vraag of aan de verdediging een adequate ondervragingsmogelijkheid is geboden en zo niet, of daar goede redenen voor hebben bestaan. Met tweemaal ‘nee’ is er feitelijk al een schending van het EVRM, behalve indien er genoeg ander bewijs is. Drie recente overzichtsarresten van de Hoge Raad met betrekking tot de motivering van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen (ECLI:NL:HR:2017:1015/1016/1017) lijken opnieuw langs de EHRM-jurisprudentie te scheren en dat stelt teleur.

Patrick van der Meij is advocaat en partner bij Cleerdin & Hamer Advocaten en research fellow bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie aan de Universiteit Leiden.

Wilt u geen belangrijk juridisch nieuws meer missen?

Wilt u op de hoogte blijven van het laatste nieuws, de laatste loopbaanwijzigingen en de laatste vacatures? Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de laatste updates.

Meld u direct aan >

Over de auteur

Patrick van der Meij

Patrick van der Meij

Patrick van der Meij is strafrechtadvocaat en partner bij Cleerdin & Hamer Advocaten en research fellow bij het Instituut voor Strafrecht & Criminologie aan de Universiteit Leiden.

Recente vacatures

Recente vacatures