Website voor juristen
NJV: waarheidsvinding steeds belangrijker
maandag, 11 juni 2012 door redactie Mr.
Wie artikelen op mr-online leest is… nee, niet gek: Nederlands jurist. Althans, de kans daarop is groot. De jaarvergadering van de Nederlandse Juristen Vereniging (NJV) is dus een typisch gevalletje had-u-bij-geweest-moeten-zijn. Welke kant moet het recht de komende jaren op? Namens de hele Nederlandse juristerij geeft de NJV daar een antwoord op door met haar leden te discussiëren over de preadviezen die ze jaarlijks laat schrijven door vooraanstaande juristen. Het thema van 2012 was waarheid en waarheidsvinding in het recht. Want dat waarheidsvinding steeds belangrijker wordt, dat vonden alle 140 juristen afgelopen vrijdag in de Rotterdamse Doelen.
De stemming zat er al meteen goed in. Het huishoudelijke deel van de vergadering werd binnen tien minuten afgehandeld door voorzitter Lineke Minkjan. Door middel van applaus stemden de NJV-leden in met alle bestuursplannen, hoewel het angstvallig stil bleef na het voorgestelde nieuwe contributiebedrag à 30 euro. “Hier moeten we protest tegen maken”, grinnikten wat NJV-leden na enkele seconden tegen elkaar. Toen begon iedereen geamuseerd te klappen. Na de openingsrede van Minkjan over publieksrechtelijke beroepsorganen (pbo’s) kon het inhoudelijke gedeelte eindelijk beginnen.
Passie voor de waarheid
Raadsheer bij de Hoge Raad Marc Loth lichtte als eerste zijn preadvies toe. Zijn stelling: de rechter heeft niet alleen een juridische, maar ook een morele plicht zijn onderzoek zo in te richten dat hij de waarheid zo dicht mogelijk benadert. “De rechter moet een passie hebben, the passion for getting and telling it right. Daarom accepteren wij de rechter niet die tijdens het proces van Breivik patience zat te spelen, ook niet als hij zijn werk misschien even goed kon doen.” In de plenaire discussie die volgde merkte advocaat Peter van Schilfgaarde op dat al deze aandacht voor waarheidsvinding misschien wat overdreven was. Rechtvaardigheid was wat hem betreft belangrijker. Natuurlijk, reageerde Loth, maar waarheid en rechtvaardigheid conflicteren meestal niet. “Bewijsonthouding, bewijsonthouding”, mompelden wat juristen achterin de zaal. Het rumoer gaf niets, want uiteindelijk stemde zo goed als iedereen vóór de stelling van Loth.
Artikel 25 Rechtsvordering
Dineke de Groot, raadsheer bij de Hoge Raad, besprak als tweede haar preadvies. In het burgerlijk proces bestaat er volgens haar een spanning tussen enerzijds waarheidsvinding, die een actieve rechter veronderstelt, en anderzijds de partijautonomie, die juist lijdelijkheid impliceert. Vanwege de toename van het belang van waarheidsvinding stelde De Groot voor in artikel 25 Rechtsvordering een plicht tot waarheidsvinding op te nemen voor de civiele rechter.
De Amsterdamse raadsheer Ruurdtje Hieke de Bock trad op als referent. Zij onderstreepte dat waarheidsvinding inderdaad zo belangrijk is geworden dat het een beginsel van de civiele procedure moet zijn. Maar in aanpassing van artikel 25 ziet De Bock geen heil; ze noemde het voorstel van De Groot “onnodig gecompliceerd”. De zaal was het daar klaarblijkelijk mee eens, want zelfs na een levendige discussie waarin De Groot haar voorstel vurig verdedigde, stemde bijna niemand vóór.
Waarheid in bestuursrecht en strafrecht
Na de lunchpauze besprak Anna Gerbrandy (universitair hoofddocent economisch publiekrecht in Utrecht) haar preadvies om bewijsregels in het bestuursrecht te codificeren. De zaal stemde voor. De laatste preadviseur, Marc Groenhuijsen, hoogleraar (straf)procesrecht in Tilburg, betoogde dat een deugdelijke motivering van feitelijke beslissingen door de strafrechter nooit geheel door wettelijke bepalingen kan worden afgedwongen, waarmee ook werd ingestemd.
Aan het eind van de dag werden de aanwezigen voor al hun reflectie beloond met een borrel, waar burgemeester Aboutaleb even verscheen, én met een diner dat werd vereerd met de aanwezigheid van demissionair minister Opstelten. Zo’n sfeervolle afsluiting hadden de Nederlandse juristen ook wel verdiend, waar of niet?
Reactie (1)
| < Vorige | Volgende > |
|---|
Meer nieuws
- Kritiek op voorstel tot wijziging van Grondwet
- NJV: ‘Immuniteiten, het recht opzijgezet?’
- KNB en VMSN positief over initiatiefwetsvoorstel mediation
- Raad van State vraagt om eerste conclusie A-G
- Mediationfestival 2013
- ‘Hoge Raad te coulant voor de staat’
- Martijn Polak voor de laatste keer mandarijn
- Spong viert zijn 40-jarig jubileum
- Raad voor de rechtspraak positief over één bestuursrechtelijk college
- ‘Notarissen mogen 10 jaar lang ontzette notarissen niet in dienst nemen’
- Verharding maatschappelijk klimaat leidt tot onzorgvuldige wetgeving
- Jaarvergadering The Association of European Administrative Judges
- Advocatuur en rechtspraak kritisch over disfunctioneren OM Zeeland-West-Brabant
- ‘Hoge werkdruk kan kwaliteit rechtspraak ondermijnen’
- Symposium Religie, recht en geweten
- L4L Award 2013 naar Russische advocaat
- Raad voor de rechtspraak opnieuw met gerechten in gesprek
- Mr. Rally 2013: steun Lawyers for Lawyers!
- Egbert Myjer wil journalist aan de leidraad
- ‘Rechterlijk toezicht nodig bij opsporing cybercrime’



Er bevindt zich bij de Hoge Raad een zaak, nr. 89021, d.d. 9 april 1991, waarin een in hoger beroep afgelegde verklaring, die absoluut niet waar is (meineed), als cruciaal bewijsmiddel is gebruikt om een aangeklaagde schuldig op te verklaren, die beslist onschuldig is. Een kind kan begrijpen dat dus in dit geval het zogenaamde ondersteunende bewijs een serieuze verificatie niet kan doorstaan. Die inhoud van die genoemde cruciale verklaring heeft, wat de essentie betreft, in werkelijkheid absoluut niet plaatsgevonden. Vandaar dat er ook geen getuige of andere reële ondersteuning voor bestaat. Deze zaak is een dankbare kluif voor de jurist die echt gedreven is de waarheid op tafel te brengen.