Website voor juristen
Elisabeth de Flines
vrijdag, 21 november 2008 door Gino van Roeyen
Goedemiddag Literatuurvrienden!
Als u, gezien de door ons kantoor deze week gewonnen Gouden Bef, had verwacht dat de aflevering van vandaag zou gaan over ‘hoge hakken, echte liefde’, heeft u het mis, maar niet helemaal. Hij gaat namelijk wel over de liefde, nog wel over één die Goethe naar het schijnt als de enige echte, als de ware zag: de onmogelijke liefde. In concreto: die tussen Elisabeth de Flines, de negentienjarige dochter van Jacob de Flines, een puissant rijke handelaar in zijde, woonachtig in een kapitaal pand op de Amsterdamse Herengracht, en diens knecht Eduart Back, in de eerste helft van de 18e eeuw. Machiel Bosman is er in Elisabeth de Flines (2008) in geslaagd – en hij verdient daarvoor alle lof - deze door rechtszaken geteisterde onmogelijke liefde te onttrekken aan de vergetelheid van historisch bronmateriaal. Het levert volgens Bosman 'een waarheidsgetrouwe weergave (op) van de werkelijkheid zoals die zich in archiefstukken aandient, weerbarstig als het leven', en wat weerbarstig is als het leven mag in dit feuilleton niet onbesproken blijven.
Op 22 december 1700 – Elisabeth is hoteldebotel op de inmiddels door Jacob op straat gezette Eduart – loopt Elisabeth weg van huis om samen met Eduart onder te duiken. Uiteraard zeer tegen de zin van vader Jacob, die niets moet hebben van deze escapade, niet alleen omdat hij niet de 'risee van de Herengracht' wenst te zijn (wie wel?), maar ook – mogelijk eerst en vooral – omdat op het pand aan de Herengracht ('Het huis waarin de familie woont ademt in alles de Gouden Eeuw. De kinderen groeien op tussen de schilderijen van Rubens, Van Dijck en Titiaan. De eetzaal is met goudleer behangen, de ontvangstzaal beschilderd door Gerard de Lairesse, een van de grootste meesters van zijn tijd. Personeel loopt af en aan. De meiden slapen in de keuken, de knecht in het tuinhuis.') een zware hypotheek rust: in het testament van de grootvader van Elisabeth aan moederszijde (de moeder van Elisabeth is gestorven toen ze twee was, waarna Jacob op zijn veertigste is hertrouwd met Agatha, waarmee hij twee zoontjes heeft) is bepaald dat als Elisabeth trouwt, het grachtenpand aan Elisabeth toevalt, tenzij Jacob haar vijftigduizend gulden betaalt. Uiteraard weet Elisabeth hier niets van af. Elisabeth zou eens moeten weten!
Jacob houdt het testament onder de pet en laat Elisabeth – zoals Bosman de getergde Jacob in de openingszin van zijn boek laat zeggen, nadat hij verneemt dat Elisabeth ervandoor is – ‘(…) voor de duivel lopen, zolang tot ze moe is!’ Jacob heeft de wet aan zijn zijde: zolang Elisabeth minderjarig is – we leven bij de vlucht enkele maanden voordat Elisabeth 20 en meerderjarig wordt – kan hij als haar vader een stokje steken voor een huwelijk met Eduart. Maar Eduart deelt in de nacht van 22 december 1700 zijn ‘stokje’ met Elisabeth, waardoor zij naar de toen geldende normen een huwelijk voor God sloten, en dan was er geen weg meer terug: ‘Doorgaan was een paardemiddel met de kracht van de onherroepelijkheid. Wie buiten het huwelijk met elkaar verkeerden, moesten wel trouwen om de eer te redden. Alleen binnen de kaders van huwelijk was de omgang tussen man en vrouw gewettigd. Of eigenlijk was het andersom: wie trouwbeloften had uitgewisseld en die met bijslaap, zoals dat heette, had bevestigd, was volgens de heersende normen een huwelijk voor God aangegaan, daar hielp geen mens meer aan.’
Maar Jacob is onverzettelijk, er staat te veel op het spel. De door Eduart en Elisabeth uitgezette ‘strategie van doorgaan’, waarmee zij – in de gepaste woorden van Bosman – ‘hun ouders onder druk zetten door willens en wetens twee normenstelsels frontaal te laten botsen’, komt Eduart op een door Jacob in gang gezette strafrechtelijke vervolging door de schout van Amsterdam te staan, publiek aangekondigd op de pui van het Amsterdamse stadhuis: ‘Omdat Eduart Back, gewezen huisknecht van een fatsoenlijk koopman, zich niet heeft ontzien om zijn meesters dochter met kwade praktijken te verleiden, en hij met haar heimelijk van hier is vertrokken en met haar is doorgegaan zonder kennis of toestemming van haar vader, in strijd met de wetten; en omdat een dergelijke ontvoering in een land van goed bestuur niet geduld kan worden, maar juist ten hoogste strafbaar is, als een voorbeeld voor anderen – om die redenen wordt Eduart Back gedagvaard om dinsdag over twee weken, zijnde de eerste februari 1701, ’s-Morgens klokke negen uur te verschijnen op het stadhuis om de criminele eis van de schout aan te horen.’
Tegelijkertijd begint Jacob een klopjacht op de ondergedoken geliefden: ‘De schout doorzoekt elk huis dat hij aanwijst. Jacob laat Eduarts ouders schaduwen en huurt gerechtsdienaars in om te posten voor hun huis. Maar wie zegt dat ze nog in Amsterdam zijn? In verschillende steden heeft hij mensen zitten die een oogje voor hem in het zeil houden. Hij krijgt arrestatiebevelen los bij het provinciale gerechtshof in Den Haag. Als hij verneemt dat zijn dochter in Vianen is gesignaleerd trekt hij er terstond met een gezelschap op uit. Want Vianen was berucht destijds – een vrijstaatje dat geen deel uitmaakte van de Republiek met een soepele huwelijkswetgeving. Met grof geld weet Jacob de plaatselijke drost voor zijn zaak te interesseren, die daarop een ondergeschikte naar Culemborg en IJsselstein stuurt, twee andere vrijstaatjes in de omgeving, om de situatie daar in ogenschouw te nemen. Het is allemaal tevergeefs.’
Eduart verschijnt ook niet voor de schout: want – zo doet Bosman uit de doeken – pas na drie verdagingen wordt het menens, dan ligt een veroordeling bij verstek op de loer, welke procedurele gang van zaken Eduart de gelegenheid geeft om te broeden op een strategie om onder een veroordeling uit te komen: ‘Hoe de aanklacht wegens doorgaan te ontzenuwen als alles op het tegendeel wijst? In zo’n geval was er in feite maar één uitweg: alle schuld afwenden op het meisje. Haar neerzetten als de gehaaide versierster, hem als de onnozele prooi. Daarmee werd de bodem onder de aanklacht weggeslagen, want doorgaan was per definitie een mannendelict. De man had zijn slachtoffer meegetroond, niet met geweld, dat was schaking, maar met misleiding en gevlei.’ Om één en ander kracht bij te zetten wordt getracht huishoudelijk personeel van Jacob te ronselen om getuigenverklaringen af te leggen in voege als vereist: ‘De meiden zetten het dik aan en laten er geen misverstand over bestaan: Elisabeth heeft Eduart verleid, niet andersom. (…) Ze hebben het met ongeloof gadegeslagen, hoe Elisabeth koketteerde met haar liefde en aanhankelijkheid. Hoe ze als een schoothondje achter hem aanliep, hem hielp de tafel afruimen als het zo uitkwam. En maar flirten en vleien, en lieve woordjes fluisteren – ‘Eduardusie’ noemde ze hem.’
Daar moet gedonder van komen en dat komt er ook: één van de meiden, Lysbet (de kroongetuige), lijkt door te slaan en legt ten overstaan van een door Jacob daartoe aangewezen notaris een verklaring af die ogenschijnlijk in Jacob’s voordeel pleit, maar daar misrekent Jacob zich toch. Lysbet vertelt ‘gewoon’ het verhaal hoe het in werkelijkheid zit en daar zit Jacob ook niet op te wachten. Bosman: ‘Wat moet hij met nuance? Een onverholen schuldigverklaring, daar heeft hij wat aan – aan de schandpaal met de knecht!’
Ongetwijfeld na veel vijven en zessen laat Eduart uiteindelijk toch verstek gaan, ‘uit vrees voor de grote macht van zijn vroegere meester’, en – geloof het of niet, dat loont (soms): hij wordt vrijgesproken: ‘Klassenjustitie of niet, wie zijn aantijgingen niet met bewijs kon staven had ook in de achtiende eeuw al een probleem. Zoals Jacob tot zijn schade ondervindt, want Eduart, zijn gewezen knecht, wordt ondanks diens afwezigheid vrijgesproken. De preciese overwegingen van de rechters zijn niet bekend, maar Eduart zelf houdt het er later op dat zijn ‘onnozelheid’ de doorslag heeft gegeven, zijn onschuldige inborst en argeloze jeugd.’
Maar met de vrijspraak breekt de oorlog tussen partijen pas echt goed los (het spel is op de wagen): Jacob zet alles op alles en stuurt na intensief overleg met zijn juridisch adviseurs aan op een re-auditie (‘een nieuwe zitting voor de schepenen maar nu voor het voltallige college van negen man.’) Geen eenvoudige klus, want de schout beslist daarover. De schout doet het echter, hetgeen volgens Bosman mogelijk een vriendendienst was: ‘de hele Amsterdamse elite was door gedeelde belangen verbonden. De vader van de schout heeft ooit zijn buitenplaats verkocht aan de broer van Jacob – zulke zaken kunnen tellen.’ Toen dus ook al. Zo komt de zaak opnieuw voor, maar tot ontsteltenis van Jacob, trekt Eduart wederom aan het langste eind: ‘al wordt hij wel gelast Elisabeth zo snel mogelijk voor het gerecht te tonen. Want hoe je het ook wendt of keert, het verbergen van een jonge dochter blijft een kwalijke zaak.’
Via deze formidabele entree vaart Bosman ons dan in het Amsterdam en Holland van de Gouden Eeuw. Dat doet hij zo sprankelend dat je niet ontkomt aan het gevoel dat je daadwerkelijk in deze tijd bent beland. Daarna neemt hij ons met partijen mee naar het Hof van Holland, de Hoge Raad, waar partijen hun rechtsstrijd, waaraan geen eind lijkt te komen, op het scherpst van de snede voeren tot het bittere eind. Je ziet de rechtsgeleerden zitten. Cornelis van Bijnkershoek, behandelend raadsheer in één van de bij de Hoge Raad spelende zaken, aan zijn schrijftafel noteren: ‘Het stond zonder twijfel vast (…) dat de dochter van de koopman de knecht eigener beweging heeft verleid en hem, een jongen van nauwelijks zeventien jaar, tot haar liefde heeft gelokt.’ Hoe Elisabeth en Eduart in het nauw en uit elkaar worden gedreven. Elisabeth – vermoedelijk per trekschuit vanuit Amsterdam - in Leeuwarden in de armen van Adriaan Penterman beland. Hoe Elisabeth’s oom Meijnard – aangesteld als curator van Elisabeth – bij de Hoge Raad gelijk krijgt over Elisabeth’s onterving, volgens Van Bijnkershoek niet op juridische, maar emotionele gronden. Proces wordt op proces gestapeld. De ene procedure nog geslepener dan de ander. Advocaten alomtegenwoordig. Factuur op factuur stapelend. Tot – inderdaad – de dood er op volgt. Wat levert het op? Zonder meer een mooi boek, waarvan je je wenst dat je het zelf had geschreven. Want wie zou niet gevolg willen geven – op de wijze zoals Bosman dat heeft gedaan – aan Elisabeth’s laatste wens: ‘Ik wens en begeer dat de trouweloze handelingen van mijn vader publiek en openbaar gemaakt zullen worden, desnoods na mijn dood’?
Op méér werkelijkheid, weerbarstig als het leven!
BANNING N.V.
Gino van Roeyen
Reactie (0)
| < Vorige | Volgende > |
|---|
Gino van Roeyen

Gino van Roeyen is IE advocaat bij Banning. Sinds 2006 verzorgt hij iedere vrijdagochtend - uitzonderingen daargelaten - voor al zijn kantoorgenoten een per e-mail verspreid feuilleton over literatuur en recht "Literatuur op vrijdag". Mr. wordt vanaf heden ge-cc-t, zodat u ook van de pennevruchten van Van Roeyen kan genieten.
Alle blogs Gino
- The deposition
- The New Year Party
- Die dunkle Seite des Mondes
- Het olografisch testament
- Ex Parte SANTA CLAUS
- De borst van Chelito
- Disheveled Nymphs
- Nachrichten aus Berlin
- Arabinesque-at-Law en De Nederlandsche Rechtstaal
- God en de gekkenrechter
- About Boston
- Een voorval uit de rechtspraktijk
- De rechtzetting
- Onverwacht weerzien
- De literaire kring
- Plum Pudding à la Charles Dickens
- Aardbeien
- Weemoedt
- Het leugenverhaal
- High Fidelity
- Witness
- Relaas van een moord
- De dief
- Ernest Staas, Advocaat
- Le loup plaidant contre le renard par-devant le singe
- Het gevang in de hemel
- Serendipity
- Mutsaers' sprankelende creativiteit
- Roeshoofd hemelt
- Hommage aan Martin Bril
- The Strangest Case of All Time?
- The Liar
- Aan de schrijvers
- Tjielp Tjielp ofwel t.t.
- Der Kluge baut vor?
- Stukken van mensen
- Sex, Lies and Litigation
- Nur
- Moord op de boodschappenjongens
- Law or justice



