Website voor juristen

Het mysterie van de Eikenschans

Goedemiddag Literatuurvrienden!

Al jaren slaap ik te C. naast 'Het mysterie van de Eikenschans', door Ids. van der Ploeg, geschreven te Amsterdam in de oorlogswinter 1944-1945, volgens een vermelding op de laatste pagina van deze Zebra-pocket (deel 5, verschenen in Republiek der Letteren – Amsterdam). Ongetwijfeld heb ik het boek al eens eerder in handen gehad, maar – ik zweer - echt ingekeken had ik het nog nooit, laat staan gelezen. Bij het opstaan 's-ochtends op Eerste Kerstdag haal ik het boek uit de kleine boekenkast naast het bed, sla het op en zie daar – in het midden van zestien hoofdstukken - hoofdstuk IX met als opschrift: 'De artikelen 641 en 642 van het Burgelijk Wetboek' (inderdaad u leest het goed burgerlijk zonder –r). Toeval bestaat niet. Uiteraard kon ik het boek daarna niet meer links laten liggen en zo kwam ik tussen Kerst en Nieuw te weten waarom de ondertitel van het boek 'Inspecteur Reijdel gaat niet met vacantie ...' is. Maar voor ik begon te lezen probeerde ik op internet iets te weten te komen over schrijver Ids. van der Ploeg, hetgeen bitter weinig opleverde. Gerben Ids van der Ploeg ófwel Idsardi was het zeker niet, want deze Ids was weliswaar schrijver (ondere andere van boeken met titels als 'Oarlochswinst, 'Als door vuur', 'In de branding', 'Mooie Marie', 'Jonker van Sterrenburgh', 'Een heilig ja', 'Kleine luijden' en 'Gretske "de Freule"', maar deze Friese skriuwer overleed al in 1931, zodat hij onmogelijk de Ids van der Ploeg kon zijn die ik zocht. Ook het 'mannetje' Ids van der Ploeg van Ids van der Ploeg TV Service uit Amersfoort (te vinden via www.zoekeenmannetje.nl) en het 'lid-sinds-2004' Ids van der Ploeg van de Tandheelkunde Mondhygiene Faculteitsvereniging te Groningen (www.archigenes.nl) vielen om begrijpelijke redenen af, evenals de Ids van der Ploeg die 'Kortom de Bijbel - de 66 bijbelboeken in klein bestek' redigeerde (op Marktplaats aangeboden voor € 2,50 – 'Splinternieuw Nooit gelezen'). Maar daar was ie! Op de website van dr. Hendrik Jan Hoogeboom (universitair docent, verbonden aan het Leiden Institute of Advanced Computer Science) en Walter Kosters (als 'assistant professor' eveneens verbonden aan dat instituut), beiden kennelijk zo geïnteresseerd in en geïnspireerd door de 'VN Detective en Thrillergids', dat zij op hun website maar liefst 12559 titels hebben opgenomen van 'spannende' boeken, waaronder ook 'spannende boeken' die niet zijn vermeld in de 'VN Detective en Thrillergids'. Hoogeboom en Koster noteren bij Ids van der Ploeg 'Politieroman', 'niet in VN vermeld', 'Inspecteur Reydel' en vier door hem geschreven boeken 'Het mysterie van de Eikenschans' (1947), 'Complotten op het Uilennest' (1947), 'De moord op Duivendak' (1948; kennelijk destijds volgens elders aangetroffen info 'Boek van de Maand') en 'De misdaad op de Boroboedoer'. Maar méér dan dat kreeg ik toen niet boven tafel en intussen ook niet. Kenner Rinus Ferdinandusse vermeldt Ids van der Ploeg niet in zijn op de fantastische digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (www.dbnl.org) opgenomen fraaie publicatie: 'Volgens de regels van het spelOver misdaadliteratuur rond 1954', terwijl ik nog geen kans heb gezien daarover Maarten Bronkhorst's in eigen beheer uitgegeven 'Moordboeken – De Nederlandse misdaadroman 1900-1984' te raadplegen. Ik hou me dus aanbevolen voor tips van literatuurvrienden om het mysterie van deze Ids. van der Ploeg – vermoedelijk in 1889 geboren, aldus de Aqua Browser Library van het Fries Bibliotheken Netwerk - verder te ontrafelen!

Aanleiding is daartoe zeker, want het civiele recht is toch niet het eerste wat men verwacht in een politieroman, waarin immers toch eerst en vooral een plaats is weggelegd voor het strafrecht. Uiteraard is het strafrecht ook in het mysterie van de Eikenschans – een landgoed dicht bij Steenwijk - tegenwoordig, niet alleen in de vorm van aldaar gepleegde moorden, die om oplossing en strafrechtelijk ingrijpen vragen, maar vooral ook middels inspecteur Reijdel ('hoofd van het district Amsterdam van den Rijksopsporingsdienst'; 'De gebeurtenissen lieten hem niet los; hij wist, wat hem in de eerste weken te wachten stond: slapeloze nachten, eindeloos gepieker over allerlei mogelijkheden en een slechte eetlust. Hij het zelf als een tekortkoming, dat een zaak hem zoo uit zijn gewone doen bracht, hij vocht er tegen, doch tevergeefs. Zijn collega's en de rechercheurs met wie hij moest werken, merkten niets aan hem, behalve misschien De Vet; hij bleef naar buiten de beheerschte opsporings-ambtenaar, die vakkundig en zonder eenig vertoon zijn werk deed. Alleen des avonds, als hij zich onbespied wist, voelde hij de zenuwspanning waarin hij den gehelen dag geleefd had, 'n spanning die niet gebroken werd door de korte nachtrust die hem dan, oververmoeid als hij soms was, tenslotte toch den deel viel'), Herculeijns ('befaamd politiedokter'; ' Herculeijns had een ruime ervaring op crimineel gebied – meer nog dan Reijdel'), de 'Overijselsche' inspecteur G. Sandbrink (hoofd van het districtskantoor van de R.O.D. voor de provincie Overijssel te Zwolle), Reijdels' Amsterdamse rechercheurs De Vet ('Reijdel had veel met hem gewerkt, hij wist dat hij in dood en nood op hem aan kon. Het was een man, die nimmer onnoodig vragen stelde en dadelijk tot de kern van een zaak doordrong'), Fakkeldij ('In de ambtelijke stijl die de rechercheur zich door de vele processen-verbaal had eigen gemaakt – met familiebrieven had hij de grootste moeite of liever, hij schreef er nooit een – berichtte hij, dat hij zich op een bepaald uur had bevonden in de onmiddellijke nabijheid van de herberg, zich noemende de Wilde Jagers, en aldaar onder het venster de wacht houdende ingevolge de hem gegeven instructies, betrekking hebbende op een persoon wiens naam hij niet wilde noemen, aangezien hem daaromtrent ambtshalve geheimhouding was opgelegd, verder te noemen geschaduwde, het gerucht van stemmen had gehoord, waarschijnlijk afkomstig van geschaduwde-in-persoon en van iemand die tijdelijk in de herberg verblijf hield en die aldaar jenever althans blijkens de uitwerking een sterk alcoholische drank tot zich nam gekleed zijnde naar hij later door de deurkier had kunnen waarnemen in een zwart jacquet en een vormlooze pantalon van onbestemde kleur...'), zijn secretaris De Brave ('Reijdel beëindigde het gesprek maar en opende de brief van zijn secretaris. De rapporten over Simone Delooy waren zonder uitzondering gunstig, 'n man van groote kennis op assurantiegebied, alleen in de laatste jaren had hij den wind wat tegen gehad, maar niemand twijfelde er aan of hij zou de moeilijkheden te boven komen. Over Van Opstal had de Brave gegevens verzameld die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. 'n Bankroetier, die al eenige keeren met de hakken over de sloot aan gevangenschap was ontkomen. Het meest opmerkelijke was wel dat hij in zijn jonge jaren assistent was geweest aan een laboratorium en daar, na een veelbelovend begin en na een aantal experimenten waarbij het gebouw bijna met groot élan in de lucht was gevlogen zijn ontslag had gekregen. Als instrumentmaker had hij zich daarna eenigen tijd onderscheiden op een electro-technische fabriek. Tenslotte werd hij belast met de leiding van een filiaal waar hij een bepaalde zaak zoo vlot en egocentrisch afwikkelde, dat hij onmiddellijk aan den dijk werd gezet. Alleen de liberale opvattingen van de directie hadden hem uit handen van de justitie gehouden. De vrije handel stond nog voor hem open. Hij zette verschillende ondernemingen op touw, speculeerde in alles en nog wat totdat de grond onder zijn voeten zoo heet werd dat hij naar de provincie moest uitwijken.') en – last but not least – een aantal arrestanten (zes stuks). Maar het boek blinkt – zoals gezegd - uit in civielrechtelijke aangelegenheden.

De moorden komen op het pad van Reijdel en Herculeijns als zij op weg zijn voor een vis- en zeilvakantie op de Friese meren, met een flinke vaart rijdend langs 'den ouden Romeinschen heerweg naar het Noorden', met Reijdel aan het stuur, die maar doorjakkert, zonder acht te slaan op het polshorloge dat Herculeijns af en toe onder de neus houdt. Herculeijns is toe aan koffie, want het is per slot van rekening geen dienstreis die ze maken. Zo belanden ze op de Grote Markt in Zwolle waar ze bij toeval de vrouw van Sandbrink tegen het lijf lopen, die hen uitnodigt voor koffie bij de Sandbrinks thuis. Inspecteur Sandbrink zit ziek thuis met een kaakontsteking, maar onder het genot van een doos bruin-gelakte moorkoppen, een traktatie van Reijdel, wordt het toch nog gezellig, en komt het gesprek op de misdaad in Overijssel destijds. Die valt mee, aldus Sandbrink: 'In de fabriekscentra – Enschede, Hengelo – af en toe doodslag ... moord maar zelden...' en op het platteland bloedwraak nu en dan, 'maar van lieverlede raken wij ook dit heidensche overblijfsel kwijt.' Na wat gemijmer over het prachtige door de R.O.D. geleverde werk, zijdens Reijdel (beaamd door Sandbrink: 'Ja, wij hebben de tegenstelling tusschen de Stedelijke en de Rijksautoriteiten aardig overbrugd, maar toch kon de R.O.D. meer doen', ‘(…) Preventieve maatregelen nemen ten opzichte van de misdaad -, iets in de geest van de brandweer') komt het gesprek op een doos met een groot rood vraagteken in het districtkantoor, met het opschrift, U raadt het al, 'De moord op den Eikenschans', een nooit opgeloste moord op een zekere Corbella, bewoner van de Eikenschans, van wie de identiteit niet kon worden vastgesteld, afgemaakt met een paar revolverkogels. Vermoedelijk handelaar in fruit, want Sandbrink vond alleen een papier over een verscheping van fruit, 'hij moet iets te maken hebben gehad met sinaasappelen...' 'n Spanjaard?', vraagt Reijdel. Geen idee, zegt Sandbrink, nog nooit een zaak gehad met zo weinig aanwijzingen. Geen familie, niemand kende hem: 'Geloof me, Reijdel, we hebben gedaan wat we konden, details doen er niet toe, de zaak is doodgelopen.'

Na afscheid genomen te hebben belanden Reijdel en Herculeijns uiteraard op de Eikenschans, niet dan nadat Ids van der Ploeg een uiteenzetting geeft over De Eikenschans en haar juridisch eigenaar Herbert van Opstal, op een dag neergestreken in Steenwijk: 'Er wordt gefluisterd van een maatschappij die nooit heeft bestaan, doch waarvan de man de aandeelen te koop aanbood. Het rechte weet niemand – in ieder geval wordt hij met de noodige argwaan ontvangen doch als hij links en rechts plaatselijke vereeningen gaat subsidieren en zich ontpopt als een handig zakenman die allerminst op zijn mondje is gevallen, vestommen van lieverlede de geruchten over vroegere praktijken. Hij dringt zich overal in – zoekt en vindt de zwakke plekken van de kleine neringdoenden en van de boeren uit den omtrek – Credieten? – hij heeft geld voor uitbreiding van zaken, voor aflossing van hinderlijke schulden... Met een tweede hypotheek hier, 'n borgstelling daar en een onschuldige verpanding van wat meubilair weet hij zijn cliënten aan zich te binden. Hij kent alle knepen van het vak -, als het scheef gaat, wat soms gebeurt, is er 'n gedwongen verkooping, of 'n semi-vrijwillig boelgoed met Van Opstal als hoogste bieder. De kwitanties en cessies stapelen zich op zijn bureau -, met een kwinkslag en een citaat uit het een of andere boek worden dan de gedupeerden zijn kantoor uitgeduwd. Op zoo'n ogenblik, als de menschen ten einde raad zijn en zich verkocht weten, moet hij met zijn hand het linkeroog bedekken want het ooglid knippert maar door, en hij is niet in staat dit te beletten.' Aldus wordt Van Opstal toegelaten tot Sociëteit 'Van den Kornput', die alleen notabelen herbergt, en raakt hij in het onroerend goed met zijn maatschappij Haveo (gekscherend door Van Opstal herleidt tot Helper Van Overijsel): 'Als er een villa of een buitenplaats te huur is plant hij zijn naambord met het Overijselsche provinciewapen – een fiere leeuw met den naam Haveo in den bek – in den voortuin maar als iemand een stuk grond noodig heeft blijkt dit een maand te voren door een strooman te zijn opgekocht, want Van Opstal ruikt de winst als een jachthond het wild.' Zijn enige tegenstander is notaris Kampinga, die het vermogen beheert van verspreide familieleden, waaraan De Eikenschans in eigendom toebehoort, en die op zeker moment een bod ontvangt van Van Opstal op de Eikenschans dat hij met tegenzin accepteert ('De notaris wil hem 't liefst de deur uitgooien doch hij mag de kans om het bezit kwijt te raken niet verwaarlozen. Hij noemt een bedrag dat niet hoog is want Van Opstal kent de waarde van elke schuur tot mijlen ver in de omtrek'). Zo belandt De Eikenschans in handen van Van Opstal die het na wat opknapwerkzaamheden verhuurt aan de plotsklaps opduikende Corbella die vier maanden later 'met een paar kogels in zijn borst onder zijn bureau ligt te zieltogen.' De Eikenschans staat weer leeg, maar Van Opstal vindt een nieuwe huurder, een oud-zee-kapitein, Dorland geheten, een vreemd figuur die zijn dagen verslaapt, maar in maanloze nachten als een geest over de terreinen van het landgoed dwaalt met koorden en meetstokken (ligt er een schat verborgen?, een moordwapen?, wat is het?) en bij wie een hooghartige nicht (''n jong meisje nog, die dag en nacht zit opgescheept met zoo'n dwingeland van een oom.... Doch de nicht, bij haar schaarsche bezoeken aan de stad, wijst iedereen hooghartig af en beperkt haar omgang tot het strikt noodzakelijke') en een neef inwonen. De omwonenden van de Eikenschans 'hooren van felle twistgesprekken, soms overgaande in handtastelijkheden die alleen beeindigd kunnen worden door de verzoenende tusschenkomst van de nicht. Totdat even plotseling als vroeger opnieuw over de Eikenschans het onweer losbreekt.'

Dat 'onweer' maken Reijdel en Herculeijns al snel van dichtbij mee, nadat zij tijdens hun lunch stuitten op een sportieve jongedame op een fiets, hetgeen de nicht van de zee-kapitein blijkt te zijn, wanneer deze zich verwondt aan de auto van Reijdel en Herculeijns, als zij op een ideaal plekje nabij de Eikenschans van een lunch genieten ('Herculeijns intusschen trok al zijn aandacht samen op den inhoud van de pakketten levensmiddelen en legde zorgvuldig een servet over zijn knieën.'). De gewonde nicht – die Frida Willekens blijkt te heten – noodt hen op de thee, waar zij al ras neef Arnold ontmoeten ('Gasten in de rimboe, Frida') en oog in oog komen met oom Dorland ('Een man gekleed in een wijden chambercloak waarvan de koorden niet waren toegeknoopt trad binnen. Zijn gezicht was rood van opwinding -. Hij was een zestiger met een grijzen, onverzorgden baard. Zijn oogen schitterden kwaadaardig toen hij om zich heen keek, als zocht hij iets om zijn drift op te koelen'). Snel wegwezen hier, is het devies van Reijdel en – vooral - Herculeijns, maar als ze op weg zijn, komen ze tot ontdekking dat Frida's fiets nog op het bagagerek van de auto staat. Ze keren om, treffen aan de voordeur op de Eikenschans niemand aan, gaan achterom en stuiten op het levenloze lichaam van Dorland met een diepe wond in het hoofd.

En zo komt het dat inspecteur Reijdel niet met vakantie gaat, maar wordt genoopt zich te verdiepen in deze moord. Eerst wordt Van Opstal aan de tand gevoeld, die daarbij zijn vermeldenswaardige visie geeft over het Nederlandse recht van die tijd: 'dat wordt misschien een proces met Frida Willekens en met Arnold.- Ze willen natuurijk van de huur af, maar dat gaat zo maar niet – 'n proces met exploiteren en conclusies van dupliek en repliek, met memories van toelichting en een vracht getuigenverhooren en nota's van onkosten, Nederlands recht is duur en slecht, rijmelden ze vroeger al...' , ondertussen ook nog even refererend naar Shakespeare: 'Ik heb hem het huis verhuurd op contract, mijn rechten zijn even onaantastbaar als de rechten van Shylock, en ik wil mijn pond menschenvleesch hebben. Maar Jessica staat aan den verkeerden kant... nu, dat kan zijn nut hebben.'

Na een vergadering van aandeelhouders – voorbereid door een zekere Simone Delooy, assuradeur – 'Hem wachtte nu de vergadering van aandeelhouders, de jaarlijkse onderdompeling. Tot nu toe was hij als een geoefend zwemmer steeds weer boven gekomen. Er was geen reden om aan te nemen dat hij ook dit jaar niet weer den veiligen wallekant zou bereiken. Hij keek nog eens de eindcijfers van de schaderekening in.- Om de strop te boven te komen zou er op aandelen moeten worden bijgestort. Meulenaar, de grootste aandeelhouder, zou wel tegensputteren en misschien dreigen met een motie van wantrouwen of iets van dien aard... goed – hij mocht moties wel, in den regel vloeide er alle ontevredenheid door weg, als vuil water door een riool... 't Geld zou gestort worden, de laatste twintig procent, alles bijeen vier ton – samen met het andere voldoende om aan de andere zijde van den oceaan voor altijd onbezorgd adem te halen, ook al ging er heel wat af voor... voor... onkosten... Hoogstens nog enkele weken, berekende hij, in dien tijd zou de laatste zaak worden geliquideerd – zijnentwege kon daarna de vesuvius lostbarsten... Hij schrok even op – 'n vreemde gedachte-associatie, 'n vulkaan en daar dat schip met dien idioten naam... De bim-bamslag van de pendule herinnerde hem er aan dat het tijd werd' – zien we Reijdel in actie komen, na eerst nog kennis genomen te hebben van het zeemanslatijn van ene Munnikhof, die – net als Delooy - afscheid komt nemen van Dorland, met wie hij samengevaren heeft op zijn vervloekte schuit, de Herculanum, die net als Pompeji ten onder ging, maar dan in de Golf van Biskaje. Dorland keek kennelijk zo nauw niet: '.. lapte alle vonnissen van den Raad voor de Scheepvaart aan zijn laars. Trouwens, hij had het zelf eenige keeren met dit college aan den stok gehad doch was gewoon te zeggen dat die Raad niet com.. hoe noemt men dat, mijnheer Reijdel? – Competent. – Juist – zij waren daar niet competent omdat ze alleen maar uit boeken iets over de zeevaart wisten en nooit bij een vliegenden storm in het kraaiennest hadden gezeten.'

Het al eerder genoemde proces-verbaal van Fakkeldij zet Reijdel op het spoor van een geplande ontmoeting tussen Van Opstal en Arnold Willekens waarbij 'de artikelen 641 en 642 zullen worden behandeld', welke cijfers Fakkeldij bij herhaling heeft horen noemen. Reijdel bezoekt op grond van die aanwijzing een advocaat in Steenwijk. Met het verslag dat Ids van der Ploeg daarvan doet, beëindig ik deze eerste aflevering graag, zodat u nog wat te raden heeft, echter niet dan na u er nog op te wijzen dat Reijdel later in Amsterdam ook nog binnen zal lopen in het kantoor van mr. Mullem, een bevriende advocaat, die hij niet aantreft (deze was naar de rechtbank), maar waar hij (wederom) de Verzamelde Wetboeken van Fruin vindt en daarop als volgt reageert: 'Eerst woog hij het boek op zijn hand, bekeek met een peinzende uitdrukking op zijn gelaat de vlaggebanen en sloeg toen in plotselinge drift de roode kleur open. De bediende die was blijven wachten keek verwonderd op toen de bezoeker na slechts korten tijd in het boek te hebben gelezen den inhoud van zijn sigarenkoker op het bureau leegschudde en hem beduidde dat hij dien dag vrij rooken had.'

Eerst toch maar de advocaat in Steenwijk:

'In Steenwijk bezocht hij een advocaat, 'n plaatselijk autoriteit met een rechtsgeleerd kaal hoofd en oogen, die schenen te tintelen van binnenpret.Reijdel maakte zich bekend, vertelde kort en zakelijk wat er aan de hand was en dadelijk zette de man alle zeilen bij. Artikel 641 en 642? -, natuurlijk B.W., dat is gezegd Burgerlijk Wetboek.Hij deed een greep naar een kort dik boek met een veelkleurige snede, als de banen van een vlag. Reijdel las de gouden letters: Fruins Verzamelde Wetboeken.
– De Koran der juristen, - zie de advocaat.
– Ieder Nederlander wordt geacht de wet te kennen – mompelde Reijdel, - maar daar ontbreekt nog wel eens 't een en ander aan. 'n Remedie tegen zelfoverschatting, zoo'n boek.
– Wij weten er vaak even weinig van als anderen, - lachte de advocaat, - maar toch hebben wij een groot voordeel boven leeken?
– En dat is?
– Als wij in de knoop zitten weten wij tenminste waar wij moeten zoeken. Dit alleen al is een academische opleiding waard.Hij bladerde in de gele vlaggenbaan en las de genoemde artikelen voor. 't Ging over visschen in den vijver, die eigendom zijn van den eigenaar en over schatten in den grond.
– 't Komt dus hierop neer dat de eigenaar recht heeft op alles wat er zich op en onder zijn grond bevindt, - zei Reijdel.
– Ja, tot op het middelpunt der aarde toe, dáár begint het eigendom van zijn tegenvoeters.
– En omdat de aarde een bol is en de zaak zich straalsgewijze toespitst ontstaat daar in het hart van de aarde een heel gedrang.
– Zoo is het, - antwoordde de advocaat, - maar dat maakt het kadaster wel in orde. Nu nog even dit, en nu in ernst, volgens artikel 642 moet degene, die een schat vindt, in den grond van een ander, samen deelen met den eigenaar van den grond.– Juist, dat is alles wat ik wilde weten. De wetgever veronderstelt blijkbaar dat de grond evenveel schatten herbergt als het water visschen.
– Zonder dit boek, - zei de advocaat, Fruin in bescherming nemend, - heeft Nederland geen toekomst meer.
– Overigens zou het u meevallen hoeveel algemeen rechtskennis er bij het volk nog leeft. De meeste cliënten weten zoo om en nabij wel waar ze aan toe zijn, wij behoeven vaak niet anders te doen dan te zorgen voor den uiterlijken vorm en voor de juiste formulering. Kan ik nog iets voor u doen?
– Uw declaratie?
– Con amore – alleen zou ik willen dat u de Eikenschans liet afbranden, wij hier hebben schoon genoeg van al dat gedoe, bij donker durft er niemand meer langs.'

Op het Wetboek van Koophandel?
BANNING N.V.

Gino van Roeyen

Reactie (0)


Schrijf reactie. Reacties worden eerst door de webmeester van Mr. gecontroleerd alvorens deze geplaatst worden. Anonieme reacties worden niet geplaatst.

busy