Website voor juristen

Moord op de boodschappenjongens

Goedemorgen Literatuurvrienden!

Hoe ziet een boodschappenjongen er volgens u uit? Als u dat kort geleden aan mij zou hebben gevraagd, zou ik in eerste instantie hebben ingezet op een 'Ciske de Rat'-achtige verschijning die om een boodschapje wordt gestuurd, soms met een kluitje in het riet, in het bijzonder op 1 april, wanneer bijvoorbeeld zangzaad voor de kanarie moet worden gehaald. Daarnaast zou ik wellicht nog op de proppen zijn gekomen met de verdachte die de strafrechtelijke dans tracht te ontspringen door zich als 'slechts boodschappenjongen' te (doen) afficheren, en mogelijk ook nog de geen-knip-voor-zijn-neus-waard-zijnde ‘advocaat’ die zich op strafrechtelijk en gedragsrechtelijk verboden wijze in het pak van de boodschappenjongen hijst. Na lezing van de Nederlandse vertaling van 'Haberci Çocuk Cinayetleri' ('Moord op de boodschappenjongens') van Perihan Mağden - een ‘hallucinatoire’ verhalenbundel - die vorig jaar in Nederland verscheen, is inmiddels mijn beeldvorming over boodschappenjongens weliswaar in het algemeen aanzienlijk verbreed, maar ik ben er niet geruster op geworden.

De boodschappenjongens die in 'Moord op de boodschappenjongens' één voor één worden vermoord zijn volgens meneer Wolfgeleerde - op bezoek bij de anoniem blijvende hoofdpersoon van het verhaal, een vriend van monsieur Jacob, befaamd eigenaar van een boeken-antiquariaat in een naamloze stad (het zou Istanbul kunnen zijn) waar de tragedie zich afspeelt - '(...) stuk voor stuk een wonder van de genetica.' Van de genetica? 'Jazeker (...) Heeft het nooit vragen bij u opgeroepen dat ze allen bijna een kopie van elkaar zijn, en niet alleen vanwege hun uniform natuurlijk, maar ook in hun houding en gedrag, in hun gebaren en manier van lopen, de kleur van hun haren, huid en ogen, kuiltjes in de wangen, dat ze in alles identiek aan elkaar zijn?' Dat wist de anonieme verteller eigenlijk wel, want even tevoren heeft hij over zo'n boodschappenjongen gedroomd (nadat de Man met de Ierse Pet ten tonele is verschenen en weer verdwenen, met wie de verteller whisky van minstens twintig jaar oud en chocolade nuttigt en over Lauran Bacall praat - 'Een moordvrouw' ): 'Het is praktisch onmogelijk om ze van elkaar te onderscheiden in hun uniform, dat bestaat uit een kort lila jasje, een lila-geel gestreepte korte broek, sokken met pompons, schoenen van lakleder met vlinderknoopjes. Het gesteven witte kant dat ze aan hun kraag en manchetten dragen wordt nooit vies, geen spatje modder dat ooit op een boodschappenjongen terecht komt, dat hun properheid en schoonheid kan bezoedelen. Ze lopen snel met lichte tred en zijn betoverend elegant.' Waar deze wezens vandaan komen? Meneer Wolfgeleerde: 'Het sperma van de meest gedistingeerde heren van deze stad (...) Ja, het uitzonderlijke sperma van deze uitzonderlijke heren wordt afgenomen en opgeslagen, en, wanneer de tijd daar is, geïnjecteerd bij moeders die op grond van allerlei genetische berekeningen worden geselecteerd, (...) Deze uitverkoren vrouwen zijn blond, mooi, intelligent en uiterst bijzonder. Tot de geboorte staan ze onder strenge controle en als er ook maar een geringe kans bestaat dat er iets misgaat ondergaan ze een abortus, want het is hun alleen toegestaan om de meest hoogwaardige boodschappenjongens te baren, die de bron van trots van onze stad zijn dus. Stel dat er ondanks al deze berekeningen en controles een baby wordt geboren met bijvoorbeeld lichtbruin haar of eentje die niet echt heel mooi is. Wanneer er een dergelijk ongelukje plaatsvindt, barsten de moeders van de boodschappenjongens - zij zijn namelijk stuk voor stuk heel ambitieus - in tranen uit, krijgen een zenuwinzinking en gaan tekeer dat de genen in het bij hen geïnjecteerde sperma en hun eigen genenstructuur niet goed onderzocht zijn, ze zweren zelfs dat ze dit werk nooit meer zullen doen vanwege deze vreselijke fout. Deze kinderen die we rustig "misbaksels" kunnen noemen, worden er meteen uitgepikt en in opvanghuizen voor weeskinderen van de stad geplaatst. Maar dit zijn geen zaken die zich vaak voordoen. Zoals u weet zijn er in onze hele stad slechts zo'n zeventig à tachtig boodschappenjongens. Er is niet veel over ze bekend, ook niet hun precieze aantal.'

Onze verteller heeft geen andere keuze dan de missie te aanvaarden om de zaak van boodschappenjongens op te lossen, zeker niet na het dwingend appel van meneer Wolfgeleerde: 'Kijkt u eens, (...) Ik ken u beter dan heel veel mensen die u denken te kennen. En gelooft u me, ik sta met heel mijn hart aan uw zijde. Als iemand deze zaak al kan oplossen dan bent u het. Is het noodzakelijk dat het wordt opgelost of is het een belangrijke missie voor ons om ons te verzetten tegen deze materiële wereld die ons eisen oplegt? De beslissing laat ik enkel aan u over.' De 'counter' van de verteller is sterk, maar niet sterk genoeg om zich aan de zaak te onttrekken: 'Geestelijken en wetenschappers vertonen opmerkelijke overeenkomsten (...) Ze gebruiken lange en ingewikkelde zinnen en het zijn geen prozaïsche mensen. Ik weet niet of hun poëzie geleidelijk is verdwenen of dat hun hoofd een doolhof is omdat ze bij geboorte al zonder poëzie waren. U hebt een goed hart meneer, bovendien kan ik niet ontkennen dat u een speelse kant hebt. Maar als u nu ook nog een greintje poëzie had gehad. Ach, als u dat toch had!'

Het verbaast u zeker niet dat de overleden grootvader van zo'n verteller advocaat, whisky-drinker en filmfan was en dat de verteller opereert vanuit zijn - naar stof, oude mannen, tabak, alcohol en eau de lavande ruikende - kantoor? 'Spelend met de sleutelbos liep ik door de wirwar aan straten van de stad en ging naar het kantoor van mijn grootvader, op de derde verdieping in een oud bedrijfspand. De koperen plaats op de deur van het kantoor was overdekt met stof en de tekst was onleesbaar. Met de rug van mijn had veegde ik het stof weg. De letters

                                                  AMIN                ROGIN 
                                                        VOCAAT

kwamen te voorschijn. Ik pakte mijn witte zakdoek, waarop mijn initialen bedreven waren geborduurd door mijn moeder en veegde goed schoon. Nu kwamen de woorden

                                              BÜNYAMIN STAVROGIN 
                                                         ADVOCAAT

in volle glorie tevoorschijn. Ik draaide de sleutel om in het slot en ging naar binnen.'

Daar ook komt de verteller in aanraking met de mooie, droevige blondine Esmé, die haar zoon heeft verloren, met Shakespeare en Hamlet, met ‘I Can't Get No Satisfaction’ van The Rolling Stones en met professor Domanya, die plots achter de verteller opduikt bij de lift van het kantoor, meer in het bijzonder als volgt:

'(ik) hoorde (..) achter me voetstappen. Ze kwamen steeds dichterbij en stopten precies naast mij. Dit was het geluid van een paar zilveren cowboylaarzen. Het lukte me niet om me van deze afschuwelijke laarzen los te rukken en op te kijken. Mijn hart ging als een bezetene te keer. 'Goedendag! Goedendag!' zei een bas-baritonstem. 'Ik hoopte al heel lang u eens te ontmoeten. Uw nederige dienaar, professor Domanya.'

Dus deze reusachtige man, die met zijn brede gezicht, bolle wangen, bruine, loensende ogen, in al zijn grandeur kaarsrecht tegenover me stond, gekleed in een zwarte cape en met een grote zwarte hoed en zilveren cowboylaarzen, was de gerenommeerde professor Domanya. Zoals iedereen in de stad, wist ook ik dat de gehele zolderverdieping, in tegenstelling tot de kleine kantoortjes van alle advocaten in het pand, die hooguit twee kamertjes groot waren, toebehoorde aan deze ontzagwekkende advocaat in het zeerecht, aan professor Domanya. Zo belangrijk als in onze stad het zeerecht binnen alle subdisciplines was, zo belangrijk was professor Domanya in deze tak. Op een dag, in de winkel van monsieur Jacob, hoe we er op kwamen weet ik niet, kwam het gesprek op professor Domanya. Monsieur Jacob had diens meesterschap op zijn vakgebied zo geïllustreerd: 'Zoals een handig kind met een knikker in zijn hand speelt, zo bespeelt hij het zeerecht.' En vervolgens had hij met zijn rechterhand gezwaaid, alsof hij wilde zeggen: ' Hou erover op, hou erover op.' Dus dit was de man met de zilveren laarzen, die in deze stad woonde. Advocaat aller advocaten: professor Domanya!'

Vreemde vogel die Domanya, die u absoluut in de gaten moet houden als u het verhaal zelf leest, maar hij is niet vreemd genoeg om de bespiegeling van monsieur Jacob op zijn grootsheid te transformeren tot een op u gerichte, afsluitende aanmoediging.

Bespeel het recht als een handig kind met een knikker in de hand!,
BANNING N.V.

Gino van Roeyen

Reactie (0)


Schrijf reactie. Reacties worden eerst door de webmeester van Mr. gecontroleerd alvorens deze geplaatst worden. Anonieme reacties worden niet geplaatst.

busy