Website voor juristen
Nazomer
vrijdag, 17 oktober 2008 door Gino van Roeyen
Goedemiddag Literatuurvrienden!
In de binnenwereld van huize Tivoli - gesitueerd in het stadje H., niet ver van mijn geboorteplaats - waar men niet zo maar kan binnenlopen, heeft Willem Brakman in zijn wonderlijke boek 'Nazomer', naast de verteller, een select gezelschap van bewoners bijeengebracht, die - aldus één van hen, Pier van der Kruk, sigaren- en pijproker, portdrinker, groot Shakespeare-kenner, Wyndham Lewis fanaat en verknocht aan Ter Braak - 'hardwerkende en eerlijke mensen hadden kunnen zijn.' Hoofdzakelijk achter de tapkast - want huize Tivoli herbergt ook een café - bevindt zich een forse vrouw, Diegeliedaar, door Van der Kruk 'onze IJslandse wijze' genoemd. En wie sluipt daar achter de rug van de verteller binnen? Amenhotep. Wie? Amenhotep, de grote angsthaas, die zichzelf nooit voorstelt en zijn medebewoners heeft verboden zijn ware naam te noemen, omdat hij bang is dat zijn naam zal worden geroepen in de buitenwereld. Later, op pagina 57 om precies te zijn, zal zich ook nog Luberlu aan de bar vervoegen: de tassendrager van Amenhotep die een avondcursus volgde ('Dubbel boekhouden'), die in het verleden al nauwelijks tot een objectief oordeel in staat was en kennelijk nog steeds niet genoeg weet: 'ik weet hele rijen niet: het Griekse drama, astronomie, een gedicht, wat zijn kikvorseieren, vulkanen, waar liggen de Soenda-eilanden. Ik ben een keer door Van der Kruk aangegrepen omdat ik niets wist van Timon van Athene. Wist u dat hij in het geheel geen baard heeft?'
De verteller - die voor Amenhotep 'handboeken-Lenny' was, 'vanwege mijn voorkeur voor de filosofie' - beschouwt de bewoners als 'Vrienden (.) voor mijn gevoel in alle tijden, de vijandschap die vriendschap heet.' De dialogen tussen en monologen van de vijanden-in-vriendschap en de beschouwingen van de verteller blijven ook na herhaald lezen van het boek duister. Passages uit het boek zijn weliswaar als zodanig te doorgronden, maar het onderling verband blijft (vaak) mysterieus. Het lijkt er op alsof de door Brakman gecreëerde verteller niets liever wil dan dat de lezer in huize Tivoli verdwaalt, meer in het bijzonder ook in de doolhoven van het leven en de geesten van de bewoners. Prachtig onsamenhangend spreken de bewoners, alsof ze willen sterven in de schoonheid van de eigen taal, wat ze met uitzondering van Diegeliedaar, Luberlu en de verteller overigens ook doen, waarbij zij aangetekend dat Diegeliedaar - vermoedelijk een verloren liefde van de verteller - er vandoor gaat met Sterke Jerke, 'rijk maar dom'. Rake, ware, warrige taal, waarin men het spoor bijster raakt en die mij in verwarring heeft achtergelaten. Nooit eerder heb ik deze taal in het plaatsje H. (laat staan in het land Van d'Ee tot Hontenisse Van H. tot aan Cadzand) horen spreken, zelfs niet het 'alles was al gezeid' van Van der Kruk dat ik dialectisch verbind met het plaatsje T. en/of A., ook al klinkt mij dat nog bekender in de oren dan het 'Belle, belle, boeder' van Diegeliedaar, waar ik werkelijk geen snars van snap. Om wat van mijn verwarring met u te delen las ik enkele, lukraak gekozen, fragmenten in, ook voor de goede beeldvorming, waarna ik ter zake zal komen.
Fragment 1: "Het is alweer een tijd geleden dat ik Diegeliedaar heb gedood en met een paar harde slagen tot een pure lichamelijkheid heb teruggebracht. Nu vervolgt ze me, maakt de dingen schoon achter de tapkast en vervolgt mij. Boven mijn hoofd is haar gestalte die is als een geschilde, van al zijn bast ontdane stam. Al een paar keer heb ik haar verzocht zich niet zo voor anderen bloot te geven, maar zij luistert niet en staart. Ik heb echter het gevoel dat zij mij niet met de ogen ziet, maar met elk deeltje van haar lichaam. Het is zelfs zo dat ik de indruk heb dat er nog wat bloed uit haar wegsijpelt, zo alsof iemand haar haren uitwringt. Ik stel haar haren zeer op prijs en er zijn momenten dat het mij niets uitmaakt als ze mij even alleen laat zodat ik ongestoord mijn woelwoede kan uitleven en mijn gezicht in al dat zachte fluweel kan dopen en koesteren. Ik heb tijd genoeg om alles te betreuren, ben soms enkel nachten geheel zonder slaap want als iemand van je houdt dan kan dat heel belastend zijn."
Fragment 2: "'Wij moeten iets terugdoen,' zei Van der Kruk, 'ik heb tabak nodig voor mijn pijp, wat sigaren en wat flessen port. Ik ben een portdrinker. Ik had altijd geduvel met mijn vrouw toen ze nog leefde, maar die rookte nog meer dan ik. Ik zeg nog eens, ik wil aan mijn hart overlijden, terwijl ik Wyndham Lewis lees. Dat wil ik en dan op bed, met mijn schoenen aan en in een kamer blauw van rook. De kinderen blaffen, de bus dreunt en rammelt, de kerkklok roept schuld. Wie wil mij wat lenen, hij krijgt het met rente op rente niet terug. Er is in dit stadje ook niemand die Shakespeare leest.'
'To be, or not to be,' mompelde ik.
'Daar moest de doodstraf op staan,' zei Pier van der Kruk.
'Nu je het zegt,' zei ik, 'er is een dreigbrief gekomen, hij lag op de mat en straalde een naargeestig licht uit. "Wees gewaarschuwd,"stond erin,"want ik ben iemand die het goed met u meent." Vermoedelijk van Beunders dat lijkt me zo'n man.'
'Een man van buiten,' zei Van der Kruk, 'a nobody, ik noem hem in nagedachtenis aan Wyndham Lewis The Enemy.'
'Ik wandel graag,' zei ik op opgewekte toon, 'maar overal is het kalkstof van de vooruitgang. Ik zou een boom willen hebben die op straat achter mij liep.
Kadoeng-kadoeng, klonk het van boven.
'Dat is Amenhotep,' zei Luberlu, 'nou komt er beweging in iedere zaak.'
Het duurde nog lang eer Amenhotep in de gelagkamer stond. Zijn been zat slordig en draaide bij het lopen alle richtingen uit.
'Luister Amenhotep,' zei ik tegen hem, 'geen transcendentie vanmorgen, geen religieuze oprispingen, communisme in ribfluweel, twee hyacinten of jonge mensen die onze aandacht vragen. Ik wil vanmorgen een lichte verstrooidheid en een blik die wat glazig wordt.'
'Ik ben bezig met "Een Voorbereiding",' zei Amenhotep, 'en dat betreft een zeer ingewikkeld thema."
Fragment 3: 'In huize Tivoli kon ik hem - Van der Kruk, GvR - uiteraard niet ontlopen en ik zat dan ook een enkele keer wat ongemakkelijk aan zijn bed, in dat kleine kamertje dat werkelijk blauw zag van de rook.
'Jij hebt Ter Braak nog een keer opgezocht? Vroeg ik voor de zoveelste keer om hem een plezier te doen, 'zat je daar op je gemak?'
'Humble, humble, always humble,' zei hij in de verte starend.
'Lear?' vroeg ik, om hem weer een plezier te doen.
'Uriah Heep,' zei hij, 'David Copperfield. Kun jij bij die sigaren daar.? Iemand heeft ze daar neergezet, ik weet niet wie.'
'Ik,' zei ik.
'Dan kunnen het geen goede zijn,' zei hij.
Nu voert de start van de (trein)reis van de verteller - die de verteller maar overslaat omdat dat bij hem 'een oerkomische tekst voor een heer is', hetgeen toch jammer is, 'daar het even op de wereld zijn met een doel voor mij nog tot de bijzondere ervaringen behoort' - weliswaar eerst langs notaris Kostverloren met standplaats te H. ('Handboeken-Lenny' is door erflater A.H. Valstar aangewezen als enig erfgenaam en Kostverloren is belast met de afwikkeling), dus dat zit wel goed denk je dan, in het bijzonder ook voor dit feuilleton, maar of dat er goed aan doet? Oordeel zelf:
"Ik meldde mij bij de notaris, die eerst een klant uitliet en zich daarna zeer langdurig de handen waste aan een fonteintje in de wachtkamer. In zijn werkkamer bleek hij nog twee tics te hebben, hij bladerde voortdurend van voor naar achter in het dossier en weer terug en keek al doende onrustig om de drie tellen door het raam alsof daarbuiten gevaar dreigde.
'Het betreft hier alleen huize Tivoli", zei hij na lang bladeren.
Ik knikte. 'De winter wordt koud', zei ik, 'de jaren gingen voorbij.'
'Het gaat hier om het erven van een huis, annex toebehoren en vruchtgebruik,'ging de notaris onverstoorbaar verder. 'Ik zie hier dat u eens bij de heer Valstar een kamer heeft gehuurd maar dat u deze huur bij uw vertrek niet heeft opgezegd.' Hij zweeg weer, bladerde wat en zei toen op een heel ijle en onpersoonlijke toon: 'En dat wordt bij elkaar een aardig sommetje, vooral ook door de regelmatige huurverhoging.'
Ik zweeg, maar knikte instemmend.
'Het beste lijkt mij,' zei de heer Kostverloren, 'deze erfenis bij uzelf aan te vechten vanwege de erfpacht. Komt het dan tot een proces, en daar ziet het wel naar uit, dan kunnen wij dat voor u regelen. De grondprijs zou hier mogelijk wat soelaas kunnen bieden. Ik weet dat gemeente erachter is gekomen dat het pand een grote historische waarde bezit, zodat snel handelen hier is aan te raden, dat kost veel geld, want sloop is niet goedkoop. Ik wijs u op gasleidingen, hang- en sluitwerk, kelder, afvoerbuizen en wat dies meer zij.'
'Wie draagt de kosten van de begrafenis? vroeg ik terloops.
Kostverloren keek schichtig naar het raam. 'U natuurlijk, wij hebben hier slechts een bemiddelende rol en de zaak is een gecompliceerde daar de erflater geen inwonende was in de gebruikelijke zin. Er is om zo te zeggen zowel een graf als geen graf en dat heeft zo zijn consequenties. Ruimte is ruimte.'
'We moeten sterk zijn,' zei ik, 'daar gaat het om.'
'En om de terug te vorderen achterstallige premies,' vulde Kostverloren aan.
'Wat omvat dat in algemene zin?' vroeg ik, terwijl ik opstond omdat ik vreesde dat blijven zitten nog meer onheil over mij afriep.
'Onroerendgoedbelasting,' zei Kostverloren even opzij kijkend, 'overdrachtskosten, huurforfait, waterschapsheffing, het recht van overpad. Maar u heeft in ieder geval het eerste recht op het huis, wat u echter betwist zal worden.'
'Waarom?' vroeg ik.
'Routine,' zei Kostverloren, die nu ook opstond. 'Op kamer drieënvijftig kunt u de sleutel ophalen, tegen betalen van sleutelgeld. Dan kunt u zich alvast wat oriënteren.'"
Routine?
Amehoela,
BANNING N.V.
Gino van Roeyen
Reactie (0)
| < Vorige | Volgende > |
|---|



