‘Dat heb gestaan op Facebook’: de strijd tegen desinformatie

‘Dat heb gestaan op Facebook.’ Dit – inmiddels ingeburgerde – citaat is afkomstig van een boze vrouw met bontkraag. In een straatinterview uit 2015 verkondigt zij dat vluchtelingen binnen enkele maanden werk hebben en zo de banen van Nederlanders ‘inpikken’; met een gladgestreken gezicht onderbouwt ze haar standpunt met een verwijzing naar het sociale netwerk. Destijds was het fragment vooral lachwekkend, maar inmiddels symboliseert het een diepgeworteld probleem: de snelle verspreiding van desinformatie via – voornamelijk – social media. Wordt het tijd om deze verspreiding te reguleren, en zo ja, hoe?

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email
(foto: Depositphotos-Lightsource)

Desinformatie: wat is het probleem?

Ter beantwoording van de bovenstaande vragen is het van belang om stil te staan bij de definitie van desinformatie. De door de Europese Commissie aangestelde High Level Expert Group (HLEG) voor nepnieuws en online desinformatie definieert desinformatie als ‘onjuiste, inaccurate of misleidende informatie die is ontworpen, gepresenteerd en gepromoot met de bedoeling het publiek schade te berokkenen of winst te maken’. Het begrip verschilt hiermee van misinformatie: dit ziet op informatie die weliswaar onjuist is, maar waarbij het element van opzet ontbreekt.

Het concept desinformatie is geenszins nieuw: in de Sovjet-Unie maakten Russische bolsjewisten in de jaren twintig al opzettelijk gebruik van valse informatie (dezinformatsiya) om invloed uit te oefenen. De komst van het internet en sociale media heeft de mogelijkheden tot het verspreiden van desinformatie echter aanzienlijk uitgebreid door zowel het creëren als het delen ervan eenvoudiger te maken. Er bestaat een terechte vrees dat via sociale media verspreide desinformatie de opinie en – in het verlengde daarvan – het stemgedrag van burgers kan beïnvloeden.

De gebeurtenissen rondom de coronacrisis hebben het debat over desinformatie een extra dimensie gegeven. De maatschappelijke onrust bleek een voedingsbodem voor talloze nieuwsberichten over onder meer de verspreiding van het virus via 5G-installaties en het voorkomen van besmetting door het drinken van bleekmiddel. Op de officiële website van de Europese Unie wordt gesproken over ‘onjuiste informatie over het virus, gevaarlijke tips die de ronde doen, ongefundeerde complottheorieën en consumentenbedrog.’ De consequenties zijn aanzienlijk. 5G-masten werden gesloopt en er zijn meerdere ongelukken met bleekwater geweest. Het staat buiten kijf dat de verspreiding van desinformatie een probleem is dat zijn weerslag heeft op de hele maatschappij.

Restrictieve regelgeving

Verschillende landen hebben inmiddels stappen ondernomen om de verspreiding van desinformatie tegen te gaan. Zo kent Singapore een verbod op het verspreiden van desinformatie, oftewel ‘a false statement of fact’. Wanneer dergelijke desinformatie toch in omloop wordt gebracht, riskeert men hoge boetes of een gevangenisstraf. In gelijke zin is in Rusland het opzettelijk verspreiden van desinformatie strafbaar gesteld.

Op grond van Duitse wetgeving zijn sociale mediabedrijven aansprakelijk indien zij illegale informatie – waar ook desinformatie onder kan vallen – op hun platform niet tijdig verwijderen. In Nederland lijkt men zich eveneens op sociale mediabedrijven te richten. Zo heeft D66 in haar Aanvalsplan Desinformatie verzocht een wettelijke zorgplicht voor ‘techreuzen’ in te stellen, op grond waarvan zij gedwongen zijn duidelijke wetsovertredingen, zoals berichten die oplichten of misleiden, binnen 24 uur te verwijderen.

Op de hierboven besproken restrictieve anti-desinformatiewetgeving is de nodige kritiek geuit. Het zou censuur in de hand werken en het publieke debat ondermijnen.

Ook zou het juridisch verbieden van bepaalde informatie op grond van het enkele feit dat informatie onjuist is op gespannen voet kunnen staan met de vrijheid van meningsuiting, dat onder meer is verankerd in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.  Dit is evenwel geen absoluut recht. Zo volgt uit artikel 10 lid 2 EVRM dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd kan zijn als sprake is van een legitieme doelstelling. Ook dient de beperking te berusten op een wettelijke grondslag en noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving.

Ik wil voorop stellen dat de bestrijding van desinformatie door middel van restrictieve regelgeving in voorkomende gevallen een legitiem doel zal dienen. De in de vorige paragraaf aangehaalde voorbeelden illustreren immers dat desinformatie verstrekkende consequenties kan hebben voor onder meer de openbare veiligheid en de gezondheid.

Problematischer is het vereiste dat de beperking dient te berusten op een wettelijke grondslag. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat deze wettelijke grondslag toegankelijk en voorzienbaar moet zijn. Een wet dient de autoriteiten geen grote beoordelingsmarge te laten. In de praktijk zal dit tot aanzienlijke problemen kunnen leiden. Zelfs als een term als ‘desinformatie’ met precisie wordt geformuleerd zal wetgeving op dit gebied immers tot vraagtekens en grensgevallen kunnen leiden. Daar komt bij dat het verschil tussen desinformatie en misinformatie vaak moeilijk te bepalen is.

Het feit dat het begrip desinformatie – en derhalve eventuele wetgeving daaromtrent – zo onduidelijk is, heeft ook zijn weerslag op het vereiste dat de beperking noodzakelijk moet zijn. Het middel dient in dit kader proportioneel te zijn aan het te bereiken doel. Aangezien het geenszins ondenkbaar is dat een wettelijk verbod op desinformatie gepaard zal gaan met onzekerheden en interpretatieproblemen, zal hier niet snel sprake van zijn. Bovendien houdt het EHRM in het kader van de proportionaliteitstoets rekening met het zogenoemde chilling effect. Dit effect doet zich voor wanneer het gebruik van een grondwettelijk recht (met name de vrijheid van meningsuiting) door de mogelijkheid van juridische sancties onnodig wordt ontmoedigd. Het chilling effect kan in het bijzonder optreden indien niet volledig duidelijk is wat wel en niet is toegestaan.

Ten slotte kan een verbod op desinformatie een zeer gevaarlijk instrument zijn, dat gemakkelijk kan worden misbruikt om ongewenste informatie te verbergen voor het grote publiek. Deze elementen tezamen leiden mijns inziens tot de slotsom dat restrictieve regelgeving omtrent de verspreiding van desinformatie – ongeacht of deze gericht is op de verspreiders zelf of de faciliterende sociale mediabedrijven – onwenselijk is en hoogstens als ultimum remedium kan gelden.

Andere oplossingen?

De vraag rijst of er minder vergaande maatregelen tegen desinformatie zijn. Verschillende bronnen leggen in de eerste plaats de nadruk op educatie. De Europese Commissie heeft in 2018 gewezen op het belang van ‘mediageletterdheid’, een woord dat refereert naar de ontwikkeling van digitale competenties en kritische denkvaardigheden. Mediageletterdheid kan worden bereikt door het introduceren van verplichte lesprogramma’s op basisscholen en middelbare scholen. Op deze manier leren kinderen al op jonge leeftijd hoe zij desinformatie kunnen herkennen.

De overheid zou in de tweede plaats kunnen investeren in technologisch onderzoek dat is gericht op het voorkomen van de verspreiding van desinformatie. Het is algemeen bekend dat bepaalde algoritmes – die worden gebruikt door sociale mediabedrijven – kunnen leiden tot informatiebubbels die de verspreiding van desinformatie stimuleren. Tegelijkertijd kunnen algoritmes juist worden aangewend om desinformatie op te sporen. Er zijn al enkele noemenswaardige innovaties op dit gebied. Zo ontwikkelde computerwetenschapper William Yang Wang een algoritme dat taalkundige patronen van valse beweringen vergelijkt met bewoordingen in digitale nieuwsberichten. Hierdoor is het mogelijk om berichten die op valse informatie berusten te identificeren. Denkbaar is bovendien een algoritme dat ervoor zorgt dat een nieuwsbericht niet meer bovenaan de tijdlijn van mensen verschijnt op het moment dat het bericht in kwestie door een bepaald aantal gebruikers is gemarkeerd als (mogelijke) desinformatie.

Ook in de psychologie is onderzoek gedaan naar methoden om desinformatie tegen te gaan. In dit kader kan worden gewezen op een strategie die bekend staat als ‘prebunking.’ Deze methode is gebaseerd op het idee dat mensen minder snel geneigd zijn desinformatie te geloven indien zij – nog voordat ze zijn blootgesteld aan desinformatie – worden gewaarschuwd over het feit dat bepaalde informatie onjuist is en waarom een bron hierover zou kunnen liegen. De techniek kan wellicht worden toegepast door de overheid en sociale mediabedrijven. Indien zij door middel van (bovengenoemde) algoritmes desinformatie in een vroeg stadium weten te identificeren, kunnen zij gebruikers gericht en preventief blootstellen aan verzwakte voorbeelden van deze berichtgeving (zogenoemde ‘psychologische inenting’). Op deze manier wordt de verspreiding van desinformatie mogelijk in de kiem gesmoord.

Ten slotte wordt gewezen op de vermindering van de anonimiteit op sociale mediakanalen. Het ligt in de rede dat gebruikers minder snel geneigd zijn desinformatie de wereld in te sturen op het moment dat sociale mediabedrijven de identiteit van gebruikers kunnen achterhalen. Bovendien kunnen geblokkeerde gebruikers op deze manier op een effectieve wijze van het platform worden geweerd.

Het is van belang dat de overheid, sociale mediabedrijven en de wetenschap de handen ineenslaan om de bovenstaande alternatieven tot stand te brengen. Transparantie lijkt hierbij een sleutelwoord.

 

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Gemeente Pijnacker-Nootdorp zoekt een

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top