De concernenquête, van economische naar feitelijke werkelijkheid

In twee recente SNS-beschikkingen gaat de Hoge Raad in op de eisen gesteld aan een concernenquête. Deze beschikkingen geven de praktijk enig houvast, maar niet meer dan dat. De auteur wijst op de feitelijke aard van de gehanteerde eisen.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email
Foto: Depositphotos

In twee recente SNS-beschikkingen gaat de Hoge Raad in op de eisen gesteld aan een concernenquête. Deze beschikkingen geven de praktijk enig houvast, maar niet meer dan dat.

De Hoge Raad wees onlangs twee belangrijke beschikkingen in de SNS-kwestie (ECLI:NL:HR:2020:478 en ECLI:NL:HR:2020:479). Hij volgt de conclusie van de A-G. (Zie daarover een eerdere bijdrage van mijn collega Snelrechtauteur Steef Bartman).

In artikel 2:346 BW wordt bepaald wie bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. In zijn Landis-beschikking (ECLI:NL:HR:2005:AR8899) overwoog de Hoge Raad dat onder omstandigheden onder die bevoegden ook zijn te begrijpen houders van aandelen of certificaten in de moedermaatschappij van de vennootschap waarop het enquêteverzoek betrekking heeft. De strekking van het enquêterecht brengt mee dat het bij de toepassing daarvan vooral aankomt op de ‘economische werkelijkheid’. Landis en haar drie 100% dochtermaatschappijen vormden een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding. Binnen de dochtermaatschappijen was geen sprake van enig ten opzichte van de moedermaatschappij zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid. Het beleid en de gang van zaken van die dochtermaatschappijen raakten de belangen van de aandeelhouders van Landis evenzeer en op gelijke wijze als het beleid en de gang van zaken van Landis zelf.

De Hoge Raad oordeelde in ‘Landis’ niet in algemene zin over de vraag in welke omstandigheden een concernenquête mogelijk is. In zijn SNS-beschikkingen gaat de Hoge Raad wél in op de eisen gesteld aan een concernenquête. De Hoge Raad stelt als eerste eis dat de vennootschap ten aanzien waarvan is voldaan aan de kapitaaleis van artikel 2:346 BW en de rechtspersoon waarop het enquêteverzoek mede betrekking heeft, met elkaar zijn verbonden in een groep in de zin van artikel 2:24b BW. Daarnaast stelt de Hoge Raad als eis dat eerstgenoemde vennootschap het beleid of de gang van zaken van laatstgenoemde rechtspersoon ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, mede heeft bepaald. Aan beide eisen is in de SNS-zaken voldaan.

Zweverige begrippen als ‘economische werkelijkheid’ en ‘raken’ worden (enigszins) verdrongen door concrete, in de wet terug te vinden juridische begrippen. ‘Groep’ is omschreven in artikel 2:24b BW. Het ‘mede bepalen van beleid’ is terug te vinden in artikelen als 2:216 lid 4 en 2:248 lid 7 BW. De juridische werkelijkheid heeft op dit terrein de economische werkelijkheid verslagen. Eindelijk duidelijkheid. Een driewerf hoera! Dit is het laatste artikel dat geschreven is over de concernenquête. De SNS-procedures waren de laatste die over dit onderwerp zijn gevoerd. Werkelijk? Nee, natuurlijk niet. Iedereen die zich bezig heeft gehouden met de NOW weet dat de eisen gesteld aan een ‘2:24b-groep’ deels feitelijk van aard zijn. Of sprake is van ‘mede bepalen van beleid’ wordt − to put it mildly − feitelijk getoetst. Voor de ene onzekerheid hebben we minstens twee onzekerheden teruggekregen. Naast de economische en juridische werkelijkheid kennen we namelijk ook nog de (feitelijke) werkelijkheid!

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten.

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl