Dinsdag 10 februari bood een aantal Groningse rechtswetenschappers hun Proeve van een herziening van de Grondwet aan aan de voorzitters van de Vaste Kamercommissie van Binnenlandse Zaken en van de Tijdelijke Commissie van grondrechten en constitutionele zaken. Hiermee beogen de juristen de sociale grondrechten te moderniseren en te actualiseren en ze geschikt te maken voor constitutionele toetsing. Vooralsnog komen alleen de klassieke grondrechten in aanmerking voor constitutionele toetsing, als artikel 120 van de Grondwet eenmaal is afgeschaft.
Waarborgfunctie
Invoering van het constitutioneel toetsingsrecht, schrijft projectleider Gijsbert Vonk – hoogleraar socialezekerheidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en deeltijdhoogleraar sociale grondrechten aan de Universiteit Maastricht – kan worden beschouwd ‘als een kroon op de waarborgfunctie van de sociale grondrechten’. “De burger moet de overheid kunnen aanspreken op de waarborgen die voor hem in de Grondwet vastliggen.” Dat is met name van belang voor de subjectieve rechtsaanspraken die de Proeve formuleert op meerdere gebieden: rechtsbijstand, re-integratie, het bestaansminimum, de toegang tot voorzieningen van gezondheidszorg en het recht op huisvesting. Toetsing aan deze grondrechten komt erop neer dat de rechter kritisch oordeelt of de wetgever bij de realisering van deze rechten fundamenteel is tekortgeschoten.
Recht op rechtsbijstand
Een van de onderwerpen die in de Proeve worden behandeld betreft het recht op rechtsbijstand, dat sinds 1983 in de Grondwet staat (artikel 18). Het huidige stelsel van gefinancierde rechtsbijstand gaat uit van de premisse dat er geen beroep hoeft te worden gedaan op rechtsbijstandverleners binnen de sfeer van de Wet op de rechtsbijstand indien er meer geëigende vormen van rechtshulp beschikbaar zijn. Dat zijn bijvoorbeeld gemeentelijke instellingen, sociaal raadslieden, maatschappelijk werk of rechtswinkels, maar ook rechtsbijstandverzekeringen, vakbonden of klachten- of geschillencommissies. Uit onderzoek is gebleken dat deze ‘eerstelijnsrechtshulp’ niet overal in voldoende mate beschikbaar is.
Daadkracht
De Proeve doet twee voorstellen tot wijziging van artikel 18 van de Grondwet. Lid 1 blijft hetzelfde:
ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan. Lid 2 wordt: ieder met onvoldoende daadkracht heeft een bij de wet te regelen recht op rechtsbijstand. Er staat dus niet ‘draagkracht’, om te benadrukken dat onvoldoende financiële middelen niet de enige reden hoeven te zijn om het recht toe te kennen.
Landelijk dekkend
Lid 3 wordt, als het aan de Groningse juristen ligt: de overheid schept voorwaarden voor een landelijk dekkend stelsel van voorzieningen van rechtshulp, volgens bij de wet te stellen regels. Het nieuwe artikel 18 lid 3 Grondwet verplicht dus de overheid om regels te stellen voor een landelijk dekkend stelsel van rechtshulp, een aanbod dat voldoende en kwalitatief toereikend moet zijn. Dit sluit aan bij het advies van de Adviescommissie Zelfredzaamheid Rechtshulp en Rechtsbijstand (2023), die meent dat de overheid een minimaal niveau van rechtshulp per regio moet bewaken.
Lees hier de Proeve van een herziening van de Grondwet.
