‘PRIJSBOKSER’ JAN BOONE GOOIT DE HANDDOEK NOG NIET IN DE RING

Jan Boone zit sinds 1974 in het vak. Hij vormde met Piet Doedens, Theo Hiddema en Max en Bram Moszcowicz de ‘prijsboksers’ van de strafrechtadvocatuur. Zij reisden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw door het hele land om, zoals Boone het noemt, ‘vrijspraken op te halen’.
De term prijsboksers was een vondst van Theo Hiddema, en prijkte als kop boven een artikel in de Haagse Post van toenmalig misdaadverslaggever Annejet van der Zijl. Ze had de kwajongens van de strafbalie geïnterviewd tijdens een met drank overgoten sessie in de Oesterbar in Amsterdam. “Een prachtige quote”, vindt Boone nog steeds, “maar niet goed voor de advocatuur, want de rechters waren daar heel pissig over. En rechters waren heel streng in die tijd.”
Contante betaling
“We konden vrijspraken en niet-ontvankelijkheden organiseren omdat we het Europees recht ontdekt hadden”, vertelt Boone in het pand aan de Peperstraat in het historische hart van Wijk bij Duurstede, waar hij op zijn 86e nog steeds kantoor houdt. “Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van ons strafrecht. Gerard Spong heeft dat op de kaart gezet, hij leerde ons over dat verdrag. Als er één ding in het dossier niet klopte, bijvoorbeeld dat de redelijke termijn van een voorarrest was overschreden, betekende dat niet-ontvankelijkheid. Dat verdrag was een enorme vondst. Het werk verdiende daarom enorm goed, en je kreeg meestal contant betaald, ook als je daar niet om had gevraagd. Tegenwoordig wordt dat onmogelijk gemaakt. Belachelijk.”
Dat was toen. Nu is het niet meer zo makkelijk om boeven vrij te krijgen. “De rechter is bijna niet meer te onderscheiden van het Openbaar Ministerie. Niet zo gek, want veel rechters zijn voormalig officier van justitie. ‘Eenmaal OM, altijd OM’ zeggen ze. En ze kijken niet met de ogen van de verdachte.”
Inmiddels hebben de Hoge Raad en de wetgever de niet-ontvankelijkverklaring van het OM bijna onmogelijk gemaakt. “Er is nog maar één grond, op basis van artikel 349 Wetboek van Strafvordering: als een rechter beslist dat een getuige gehoord moet worden, en het OM dat weigert. Verder wordt alles met de mantel der liefde bedekt. Of er is wetgeving voor.”
Een grote bek geven
Hoe kwam Boone eigenlijk in de advocatuur terecht? Hij vertelt dat hij na negen jaar gymnasium de school zonder diploma verliet. Hij werd toegelaten als vlieger bij de luchtmacht, maar vervolgens toch afgetest. Een pilotenloopbaan zat er niet meer in. Boone deed staatsexamen gymnasium, ging rechten studeren, en begeleidde na zijn studie als reclasseringsambtenaar van 1970 tot 1974 ex-tbs-gestelde jongeren in Amsterdam. “Maar toen kwam de heroïne en dat werd een ramp, er kwamen jongeren vanuit de hele wereld, het was dweilen met de kraan open, je werkte twaalf uur per dag.”
Boone gooide het roer om en werd advocaat, met de befaamde Bert Quant als buitenpatroon. Hij begon met civiel, want “strafrecht dat deed je niet, dan werd je onmiddellijk geïdentificeerd met je cliënt”. Na zeven jaar civiel (“hartstikke saai”) had Boone het wel gezien en koos hij voor het strafrecht. “Toen had ik de mazzel dat ik kon meelopen met de ‘oude Simon’ (mr. B.J.F. Simon, red.). Hij heeft me veel geleerd, hij deed wat andere advocaten en ik later zijn gaan doen. Gewoon een grote bek geven, zeggen dat de politie fouten maakte en dat rechters respect verdienen, maar niet overdreven veel.”
De zaak die het meeste indruk maakte op Boone was de Dover-zaak. Op 18 juni 2000 vond de politie in Dover tussen een lading tomaten de lichamen van 58 Chinese vluchtelingen die de dood vonden omdat een van de chauffeurs per ongeluk een ventilatieluik had gesloten. Slechts twee Chinezen overleefden. “De foto’s van de lijken waren echt schokkend. Ik was de advocaat van een van de twee mensensmokkelaars. Dat is de enige zaak waarin ik mijn cliënt heb laten bekennen. Ze kregen bij de rechtbank twaalf jaar. Ze waren zelf geschrokken van wat ze gedaan hadden. Ze hadden de dood van 58 mensen op hun geweten, en daar kregen ze last van. De cliënt van Piet Doedens bleef heftig ontkennen. Mijn cliënt wilde niet bekennen, maar ik heb tegen hem gezegd: ‘Beken maar in hoger beroep. Als je dat niet doet, krijg je weer twaalf jaar’. Toen kreeg hij in hoger beroep vier jaar, en de ander twaalf jaar.”
Verjaardagsvraag
In het kantoor van Jan Boone liggen de papieren dossiers hoog opgestapeld in houten rekken. Aan de muur: schilderijen met het silhouet van Wijk bij Duurstede en ook een foto waar Boone en de Rotterdamse strafrechter Jacco Janssen op staan. Een man die hij bewondert omdat hij “niet bang is voor verdachten, en echt het gesprek met ze aangaat”. Verder een anderhalf meter hoog beeld van Vrouwe Justitia. “Gekregen van een cliënt die was vrijgesproken.”
Boone vecht nog steeds als een leeuw voor zijn cliënten, en gaat daarbij door roeien en ruiten. Maar wat nou als hij weet dat de cliënt het heeft gedaan? “Dat is in wezen de vraag: wat doe je als de verdachte tegenover de politie ontkent en tegenover jou zegt dat ie het heeft gedaan. Die vraag is mij op alle verjaardagen gesteld. En ik heb van de ouwe Simon geleerd: als een cliënt bij de politie ontkent en bij jou wel bekent, moet je de zaak niet doen. Omdat je op enig moment tijdens de procedure iets kunt zeggen waardoor blijkt dat je wel weet hoe het zit. Als je die fout één keer maakt is je carrière naar de kloten. En verder bestaat de onschuldpresumptie. Iemand heeft het pas gedaan als de rechter dat zegt. Ik hoef niet te weten of iemand het heeft gedaan. De rechter wel.”
Botte schande
Met pensioen gaan heeft Boone nooit overwogen. “Waarom zou ik ophouden? De zaken zijn nog niet klaar.” Verslaafd aan het werk? Misschien wel. Hij vertelt dat hij in zijn beste tijd 180 zaken in een jaar deed. “Ik werkte zestien uur per dag en sliep er acht, overdreven hoor. Ik heb eigenlijk geen hobby’s behalve golfen dan. Dat heeft me gered. Met golfen kun je niks anders doen dat je op dat balletje concentreren. Dan kun je niet piekeren, dan maak je je hoofd leeg. Ik kon het aardig, heb zelfs handicap zes gehad.”
Tegenwoordig golft Boone niet meer zoveel. “Mijn conditie heeft na covid een flinke klap gehad.” En verder: algemene ouderdomsverschijnselen. “De nadelen van ouder worden? Dat je minder hard kunt lopen. Je moet overwegen te stoppen met autorijden. En ik kan niet meer tegen alcohol, na twee glazen wijn ben ik al dronken. Krankzinnig, ik dronk veel.” Om fit te blijven loopt Boone iedere dag een half uur, en oefent hij thuis dagelijks op de hometrainer.
Digitaal kan Boone niet echt met zijn tijd mee. “Dat doet mijn secretaresse voor me.” Hij is sowieso geen fan van computers en internet. “Iedereen weet op internet uiteindelijk hetzelfde”, vindt hij. “Terwijl je in een strafzaak juist moet zoeken naar dat ene dingetje in het dossier.”
Wanneer hij stopt? “Mijn secretaresse hoopt: op 1 januari 2027, want die wil zelf ook ophouden. Maar ik kan het niet zeggen. Ik neem geen nieuwe zaken meer aan.” Een zaak die hij al twintig jaar onder zijn hoede heeft, wil hij graag afronden. Zijn cliënt werd in 2008 opgepakt voor Ponzifraude( beleggingsfraude) in 2006. De zaak loopt nog steeds, is al twee keer bij de Hoge Raad geweest.
Een andere reden om door te gaan is de invoering van de slachtofferverklaring. “Dat is zo’n botte schande. Daar wil ik me tegen blijven verzetten. Peter Plasman, een van de betere advocaten die ik ken, gaat plotseling een slachtoffer bijstaan. Dat is zo in strijd met de opdracht aan een advocaat. Je gaat vrijwillig in het kamp van de officier zitten. Dat moet een advocaat niet doen.”
MARIONA VISSER TREKT ZICH DE DINGEN MINDER AAN DAN VROEGER

Mariona Visser, de oudste vrouwelijke advocaat van Nederland, zit sinds 1988 in de advocatuur. Jarenlang deed ze veel asiel- en vreemdelingenzaken. Nu houdt ze zich alleen nog bezig met kwesties over verplichte zorg (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) en kleine strafzaken. “Laatst stond ik een dertigjarige Chinees bij. Die greep mijn beide handen vast, ik was een soort grootmoeder voor hem.”
In een historisch pand aan de Kerkstraat in hartje Amsterdam woont en werkt de 83-jarige Mariona Visser. De opmerkelijk jong ogende advocate ontvangt in een licht chaotische ruimte die dient als woon- en werkkamer. Stoelen en tafels zijn bedekt met boeken, fotoalbums, tijdschriften en wat dies meer zij. Het vertrek staat vol met uiteenlopende attributen als beeldhouwwerken (‘hakwerk’ noemt ze die zelf), een globe, een oude, lichtblauwe Viewmaster-kijker, brandende kaarsen en een kolossale speelgoedvrachtwagen die net onder een fauteuil past. Daar tussendoor scharrelt een Perzische kat. Aan de wanden talloze lijsten met familiefoto’s, maar ook schilderijen (waaronder eentje van eigen hand). De houtkachel zorgt voor aangename warmte, aan de muur een ingelijste spreuk van Loesje: ‘Oud worden kan altijd nog’.
Financiële noodzaak
Welkom in de wereld van Mariona Visser, de oudste vrouwelijke advocaat van Nederland. Ze heet eigenlijk Marion maar noemt zich sinds kort Mariona, omdat mensen “vaak Marjon zeggen, en dat vind ik afschuwelijk”. De raadsvrouw neemt tijdens het interview geen blad voor de mond. Bijvoorbeeld over haar echtgenoot, de inmiddels gepensioneerde advocaat Ipo de Vos; “Ik heb hem even de deur uitgestuurd, anders bemoeit ie zich maar met het interview.”
Op de vraag wat haar drijft om zolang door te gaan als advocaat, komt ze niet met principiële vergezichten over het beschermen van de rechtsstaat. Integendeel: harde financiële noodzaak blijkt de reden om het zo lang vol te houden in toga. “Mijn echtgenoot en ik hebben een jaar of vijf geleden een feestje gegeven op de Kring om te markeren dat we gingen stoppen”, vertelt ze. “Niet lang daarna ontdekten we dat mijn man nogal wat schulden had en dat we allebei niet goed voor ons pensioen hadden gezorgd. Hij stopte, ik ben doorgegaan. Het alternatief was het huis opeten.”
Toen ze die knoop eenmaal had doorgehakt, dacht ze: waarom word ik niet de oudste advocaat van Amsterdam? Ze meende in 2025 dat het misschien zover was en benaderde de Amsterdamse Orde van Advocaten om dat na te vragen. “Maar de Orde was niet zo aardig voor me. Ze stuurden een kort ongezellig berichtje dat ik niet de oudste advocaat van Amsterdam was. Ik vroeg: misschien de oudste vrouwelijke advocaat van Amsterdam?” Toen ging de Nederlandse Orde van Advocaten zich ermee bemoeien. En eind 2025 kwam het verlossende woord in een brief van Pauline van der Sman van de NOvA: Visser bleek inderdaad de oudste vrouwelijke advocaat van Nederland te zijn.
“Leuk om te horen”, zegt ze. “Maar ik wil er niets mee. Op mijn website zetten? Haha, die heb ik niet eens. Misschien zet ik OAvN op mijn visitekaartjes: Oudste advocate van Nederland dus. Maar of iemand daarop reageert?”
Late roeping
De advocatuur was een late roeping voor Visser. Na haar rechtenstudie zwierf ze met haar toenmalige echtgenoot door Afrika. Ze woonde in onder meer in Libië en Nigeria. “Gevaarlijke landen”, vindt ze.
Toen ze “na wat narigheid” terugkwamen in Nederland, was haar wederhelft werkloos en werkte ze zelf onder meer voor de Honeymoon Quiz van Ron Brandsteder, waar ze vooral de telefoon moest opnemen. Geen baan die veel intellectuele voldoening verschafte. “Op een gegeven moment ontmoette ik tijdens een borrel bij een buurvrouw een advocaat. Die zei: ‘Je bent toch afgestudeerd in de rechten? Waarom schroef je geen plaat op de deur met de titel advocaat?’ Toen is hij mijn buitenpatroon geworden.”
Dat ging niet zonder slag of stoot, want de Orde van Advocaten deed moeilijk: “Ze wilden niet dat ik beëdigd werd, omdat ze het niet eens waren met mijn patroonkeuze. Hij bleek een keer een conflict te hebben gehad met de Orde. Maar ze konden me niet weigeren.”
Uiteindelijk werd Visser in december 1988 beëdigd en begon ze als advocaat in Hilversum. Later betrok ze een kantoor aan de De Lairessestraat in Amsterdam, weer later aan de Marnixstraat. En sinds 2004, inmiddels gescheiden van haar eerste echtgenoot, houdt ze kantoor in de Kerkstraat.
“Ik heb veel asiel- en vreemdelingenzaken gedaan, en ging vaak naar Ter Apel. Ik doe nu alleen verplichte zorg (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) en kleine strafzaakjes. Ik heb zes keer per jaar piket, dan moet je van acht tot acht uur beschikbaar zijn voor verplichte zorg. Je krijgt bericht van mensen die met een burgemeestersbeschikking opgenomen zijn, en die ga je dan bezoeken. Het werk is juridisch niet heel ingewikkeld, maar maatschappelijk interessant. Ik heb nauwelijks problemen met de mensen die ik bezoek, er zijn wel klanten die zeggen: jij komt alleen maar slecht nieuws brengen, en dat is ook zo. Eigenlijk zou je ook een keer gewoon gezellig naar die mensen toe moeten gaan, en dat doe ik soms. Als ik een beschikking kom brengen, neem ik weleens een cadeautje mee.”
Gedurende haar carrière heeft Visser veel zien veranderen. “Heel veel. Bij kort gedingen zaten alle advocaten in het toenmalige Paleis van Justitie op de Prinsengracht in toga op de gang te wachten op uitspraken.”
De zaak die de meeste indruk op haar heeft gemaakt is die keer, tijdens piket, dat ze iemand moest bijstaan die werd verdacht van poging tot doodslag cq moord. “Jeetje Mina. Niet lollig om daar heen te gaan. Bleek het een kerel van dertig of zo die zijn kind was gaan ophalen van school. Hij ging op een parkeerplek staan die twee dames met hoofddoeken wilden innemen. Een van die vrouwen ging voor de auto staan en belde de politie. De gemoederen liepen hoog op. De man riep: ‘Ga voor mijn auto weg, ik wil wegrijden’. Maar de vrouwen gingen niet opzij; hij gaf gas, en een van die vrouwen kwam op de motorkap terecht. De zaak werd eerst geseponeerd, later is de man alsnog vervolgd na een artikel 12-procedure en kreeg hij een behoorlijke straf.”
Minder snel
Levenservaring, vindt ze, kan een pre zijn in de advocatuur. “Je bent redelijk relaxed, je trekt je de dingen minder aan dan vroeger. Als asielzoekers in Ter Apel om je benen hingen, ‘please help me’ roepend … Schrijnende tijden.”
Maar advocaat zijn op je 83ste brengt de nodige uitdagingen mee. En ook al houdt Visser haar brein fit met kaarten en schaken, in de ogen van anderen is ze soms gewoon een oude vrouw. “Er was een rechter die aan me vroeg of ik nog steeds doorging. En een collega-advocaat had tegen iemand gezegd dat ik maar eens moest stoppen.” Cliënten reageren juist heel positief. “Laatst stond ik een dertigjarige Chinees bij. Die greep mijn beide handen vast, ik was een soort grootmoeder voor hem.” Misschien speelt daarbij mee dat Visser haar telefoon even afstond aan deze cliënt, zodat hij zijn vrouw in China kon bellen. “Dat mag waarschijnlijk niet hè. Ik heb geen idee wat ie allemaal tegen zijn vrouw heeft gezegd.”
Er gaat wel meer mis. Mariona Visser komt weleens te laat, staat weleens bij de verkeerde rechtbank of verschijnt met het verkeerde dossier. Kan met de leeftijd te maken hebben, denkt ze. “Je bent minder snel. Gisteren had ik om twee uur een zitting, dacht ik, maar het was om half twee. Ik werd gebeld in de auto: ‘We zitten op u te wachten’. De bode gaf door dat ik onderweg was. Vervelend, want dan ga je stressen. Maar gelukkig was de rechter heel aardig.”
Misschien, peinst ze, “moet ik niet te veel meer doen, dan gaan er dingen mis. Misschien ga ik dit jaar wel stoppen.”
