De belangrijkste Europese regels staan in richtlijnen en verordeningen die met de volksvertegenwoordigers in het Europees Parlement zijn vastgesteld. Maar zij kunnen niet alles in detail regelen. Daarom wordt de uitwerking vaak gedelegeerd aan de Europese Commissie. Precies in deze overdracht heeft de EU een legitimiteitsprobleem, constateren hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans en promovenda Josephine Hartmann (beiden Universiteit Leiden) in hun artikel dat eind mei verschijnt in het Journal of Theory and Practice of Legislation.
Dit al veel langer bestaande probleem zou met het Verdrag van Lissabon worden aangepakt. Voermans: “Vóór het Verdrag van Lissabon werd de wetgeving vooral uitgewerkt in technische commissies. Daarbij konden vertegenwoordigers van de lidstaten de Commissie adviseren of assisteren en zo controle uitoefenen (comitologie). Het Europees Parlement stond daarbij wel buiten spel. Dit veranderde gedeeltelijk met het Verdrag van Lissabon, dat het Europees Parlement een grotere rol gaf in Europese wetgeving bij het vaststellen van gedelegeerde regels door de Commissie.”
Toch is desondanks de Europese Commissie de dominante speler gebleven, stelt Hartmann. Ze bereidt een proefschrift voor dat mede gaat over politieke legitimiteit. De Commissie zit de bijeenkomsten voor, bemiddelt tussen de vertegenwoordigers van de lidstaten en bepaalt wanneer er wordt gestemd. Het Europees Parlement en de Raad worden weliswaar regelmatig geïnformeerd, maar niet uitgenodigd voor besprekingen. Hartmann: “Bij het maken van uitvoeringsmaatregelen door de EU Commissie is de Raad wel betrokken, maar het feit dat 270 comités bij de vaststelling daarvan mee mogen kijken, zegt niet zoveel. Het werk wordt uitgevoerd door niet-gekozen deskundigen uit de lidstaten.” Om die reden concluderen Voermans en Hartmann dat de democratische legitimiteit van EU-wetten en -regels sinds het Verdrag van Lissabon zelfs lijkt verslechterd.
Het overdragen van regelgevende bevoegdheden zou volgens interne Europese afspraken beperkt moeten blijven, maar in de praktijk komt daar weinig van terecht. In de zevende zitting van het Parlement (2009-2014) maakt de primaire regelgeving – richtlijnen en verordeningen die samen met het Parlement zijn vastgesteld – maar een magere vijf procent van het totaal uit, de rest zijn gedelegeerde regels en uitvoeringsmaatregelen vastgesteld door de Commissie.
Voermans: “Opgeteld geeft dat in diezelfde periode het beeld dat in 83 procent van de EU-regelgeving noch het Europees Parlement, noch de nationale parlementen, noch het Europese publiek direct zijn betrokken. Lissabon lijkt ondanks de goede bedoelingen op het punt van de legitimiteit averechts uit te pakken.”
