Gouke Moes en de Rechtszaak Cultuurdefensie: nobele missie, juridisch drijfzand

Drie weken na zijn vertrek als minister sluit Gouke Moes zich aan bij een stichting die een opvallende rechtszaak tegen de Staat voorbereidt. Zijn vergelijking met klimaatzaken klinkt ambitieus, maar roept direct stevige juridische twijfel op, stelt Mr. Student-auteur Shady Morsi.

Delen:

beeld: Depositphotos

Drie weken na zijn aftreden als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft Gouke Moes zich aangesloten bij Stichting Democratische Vernieuwing als vicevoorzitter. De stichting, opgericht door filosofe Andrea Speijer-Beek, bereidt een proefproces voor tegen de Nederlandse Staat onder de naam Rechtszaak Cultuurdefensie. Het doel: het afdwingen van juridische bescherming van ‘cultuur, identiteit en leefwijze’ voor de ‘reeds aanwezige bevolking.’ Moes vergelijkt zijn initiatief graag met de succesvolle klimaatzaken van Urgenda en Greenpeace. De vergelijking maakt indruk op het eerste gehoor. Maar bij nader juridisch inzien echter wankelt zij aan twee kanten tegelijk. Hoogleraar Wim Voermans noemde de actie al ’totaal kansloos’ en ‘alleen voor de Bühne’, een oordeel dat juridisch weinig ruimte laat voor optimisme.

Het definitieprobleem

Het eerste struikelblok is constitutioneel en niet te omzeilen: wat is precies ‘de Nederlandse cultuur’ waarvan bescherming wordt gevorderd? En wie behoort tot de ‘reeds aanwezige bevolking’ voor wie die bescherming geldt? De stichting laat dit angstvallig vaag. En dat is geen redactioneel ongeluk, het is een structureel juridisch probleem. Nederlandse rechters werken met toetsbare normen; zij spreken geen vonnissen uit over culturele toestanden. Want de vraag is wat kwalificeert als ‘reeds aanwezige bevolking’. Is iemand die in 2014 die als vluchteling kwam in Nederland ook onderdeel van de ‘reeds aanwezige bevolking?’’ Dit is niet kwantificeren, ook is ‘identiteitsaantasting’ niet in een schadestaat uitdrukken. Een vordering die de rechter vraagt een beschermde klasse te definiëren op grond van etniciteit of geboorterecht, botst bovendien onmiddellijk op het non-discriminatiebeginsel van Artikel 14 EVRM. Hoe nauw de stichting haar begrippen ook formuleert, zij kan niet ontsnappen aan de vraag: wie is ‘de reeds aanwezige bevolking’? Elk antwoord dat zij geeft, trekt een grens die de rechter zal weigeren te trekken

Waarom Urgenda wel werkte

Moes verwijst graag naar Urgenda. Maar wie die zaak serieus bestudeert, begrijpt precies waarom de vergelijking niet opgaat. Urgenda slaagde om drie samenhangende redenen. Ten eerste was de norm helder: de Hoge Raad oordeelde dat de Staat op grond van artikel 2 jo. 8 EVRM een zorgplicht heeft jegens burgers bij reële en ernstige gevaren. Ten tweede was de schade objectief meetbaar: CO₂-concentraties, temperatuurstijging, IPCC-rapporten. De rechter hoefde geen eigen waardenoordeel te vellen, hij toetste overheidshandelen aan wetenschappelijk consensus. Ten derde was de normadressaat ondubbelzinnig: de Staat als uitstootveroorzaker en beleidsverantwoordelijke. Elk van deze drie pijlers ontbreekt bij Cultuurdefensie. Welke rechtsnorm verplicht de Staat tot bescherming van culturele continuïteit voor een specifiek bevolkingsdeel? Nergens in de Grondwet of het EVRM bestaat een afdwingbaar recht op culturele onveranderlijkheid. En zelfs als men zo’n norm construeert, blijft de vraag onbeantwoord wat er dan precies gemeten moet worden. Urgenda droeg wetenschappelijk bewijs; Cultuurdefensie draagt sentiment. Overigens noemt op sociale media de Verklaring over de Rechten van Inheemse Volkeren van de VN. en vinden dat de bescherming van de rechten van de inheemse Nederlanders niet aan de zorgvuldigheidseisen voldoet. Een klein dingetje is dat de verklaring niet juridisch bindend is. Dat is geen stilistisch verschil, het is het verschil tussen een rechtszaak en een petitie. Met een erg hoge griffierecht.

Het (juridische) Geroes van Moes

Dan is er een derde kwestie die minder aandacht krijgt maar wel relevant is: de positie van Moes als vicevoorzitter in het licht van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen. Die wet bepaalt dat oud-ministers gedurende twee jaar na hun aftreden geen functies mogen aanvaarden waarbij zij hun voormalige ministerie kunnen beïnvloeden, en dat bepaalde nevenfuncties vooraf worden getoetst door een onafhankelijke adviescommissie. Moes was tot voor kort minister van OCW, het departement dat bij uitstek over cultuurbeleid gaat. De stichting die nu precies op dat terrein een proefproces voorbereidt tegen de Staat, en waarbij Moes als vicevoorzitter zijn naam, netwerk en bestuurservaring inbrengt, bevindt zich daarmee in een juridisch gevoelige zone. De wet is er niet voor niets: zij beschermt de integriteit van het openbaar bestuur en voorkomt dat de kennis en contacten die een bewindspersoon ambtelijk heeft opgebouwd, onmiddellijk worden ingezet ten behoeve van partijen met een belang tegenóver diezelfde overheid. Of de adviescommissie hier al om advies is gevraagd, is niet bekend. Dat zou zij wel moeten zijn.

Moes is een gedreven politicus met een oprechte zorg over sociale cohesie. Dat verdient erkenning. Maar een stichting die nog op zoek is naar een advocaat (via sociale media), waarvan de kernbegrippen geen juridische definitie dulden, en waarvan de vicevoorzitter mogelijk nog toetsing aan de draaideurwet tegoed heeft, die stichting is vooralsnog beter uitgerust voor een debatavond dan voor de rechtszaal.

 

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven