Met hersenscans kunnen rechters verdachten beter beoordelen op toerekeningsvatbaarheid. Rechters kunnen dan beter rekening houden met de rol van psychiatrische stoornissen bij straf en behandeling van verdachten. Zo kan herhaling worden voorkomen. Dat betoogde hoogleraar forensische psychiatrie Robbert-Jan Verkes in zijn oratie aan de Radboud Universiteit.
“De belangrijkste vraag is uiteindelijk: kan iemand herstellen of niet?” Op dit moment gebeurt de taxatie van het recidiverisico op basis van iemands geschiedenis en gedragsonderzoek. Soms is het risico lastig te beoordelen.”
Volgens Verkes kan neurobiologisch onderzoek in de toekomst wellicht uitkomst bieden. “Neem het extreme geval van een afwijking in het brein. In de toekomst kan een hersenscan helpen bij het bepalen van een stoornis en het onderscheid maken tussen behandelbaarheid of onbehandelbaarheid van die stoornis.”
Verkes vindt dat het huidige strafrecht nog steeds te veel is gebaseerd op principes van schuld en vergelding. “In het geval van psychiatrische daders draait het in de eerste plaats om toerekeningsvatbaarheid: zijn er verzachtende omstandigheden of schulduitsluitingsgronden die reden zijn tot strafverlaging? Zo niet, dan krijgen de daders het volle pond. Zijn er drugs in het spel? Dan volgt er zelfs een strafverzwaring.”
Centraal zou echter moeten staan wat het beste is om de maatschappij veilig te maken, vindt Verkes. Dat betekent dus vooral het voorkomen van herhaling. “Strenger straffen is geen oplossing voor minder delicten in de toekomst. Een veiligere samenleving, denken vanuit de stoornis van de dader, vanuit de oorzaak van zijn criminele gedrag, is dat wel.”
Maar wanneer is er sprake van een stoornis? De huidige rechtspraktijk lijkt daarbij uit te willen gaan van de DSM, het handboek voor psychische stoornissen: als het niet in de DSM staat is het geen stoornis. Volgens Verkes is dat geen goede manier. “We moeten beter zicht krijgen op psychische stoornissen en disfuncties van verdachten. De DSM is daarbij geen geschikte leidraad.”
Vervolgens is de vraag of die stoornissen gevaarlijk zijn en of ze behandelbaar zijn: “Als iemand bijvoorbeeld last heeft van stemmen die agressieve opdrachten geven, dan is dat vaak goed te behandelen met medicatie, en is het geen blijvende risicofactor, maar als iemand bijvoorbeeld van jongs af aan antisociaal gedrag vertoont, dan is dat meestal veel moeilijker te behandelen.”
De DSM belemmert regelmatig het zicht op deze functiestoornissen. “Neem een zaak van een tijdje geleden over een zedendelinquent met een verhoogd libido. Dit staat niet in het DSM, dus was er volgens de rechter geen sprake van een stoornis. De Hoge Raad heeft dit weliswaar genuanceerd, maar met zijn allen zijn wij de DSM-classificatie veel te belangrijk gaan vinden, als een realiteit in plaats van een hulpmiddel. Het gevaar bestaat zelfs dat de DSM een belemmering wordt om iemand de juiste behandeling te geven.”
