Een man ging in een echtscheidingszaak in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam, die oordeelde dat hij twee nevenverzoeken niet wist te onderbouwen. Hij moest uiterlijk 14 juni 2024 hoger beroep instellen. Hij stuurde zijn beroepschrift op 13 juni, per gewone mail. De papieren versie daarvan kwam (per post) bij de griffie van het hof binnen op 17 juni – dus na het verstrijken van de beroepstermijn.
Uitputtende lijst
Hoe processtukken bij het hof moeten worden ingediend, staat in een uitputtende lijst in het Procesreglement. Er zijn vier manieren: per post, afgifte aan de Centrale Balie, indiening ter zitting en via Veilig Mailen. Andere manieren zijn niet toegestaan. Dient iemand processtukken in via Veilig Mailen, dan moet het beroepschrift direct per post aan de griffie worden nagezonden of afgegeven aan de Centrale Balie, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft.
Ontvankelijk
Wat deze man deed – het beroepschrift toezenden per gewone mail – staat niet in het Procesreglement en is dus geen geldige wijze van indienen. Hij zond weliswaar het processtuk ook per post aan de griffie, maar dit werd pas op 17 juni door de griffie ontvangen – drie dagen na het verstrijken van de beroepstermijn. Te laat? Het hof stelt ambtshalve vast dat er vóór 1 juli 2024 geen eenduidige handelwijze was voor inzending van processtukken per gewone mail aan de griffie. Soms werden die stukken aanvaard, ook al kon dat eigenlijk niet volgens de geldende regeling. Het hof oordeelt dat in dit geval het niet-ontvankelijkheid een te zware sanctie is. Kortom: de man is ontvankelijk.
Te laat
Daar is zijn ex het niet mee eens. In cassatie stelt zij dat de rechter hier geen discretionaire bevoegdheid heeft. Er gelden harde beroepstermijnen, die zijn van openbare orde en die moeten strikt worden nageleefd. De man was gewoon te laat, het hof had hem niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Gebrek herstellen
De Hoge Raad ziet dit in zijn beschikking van 27 maart 2026 anders. De man heeft het beroepschrift binnen de appeltermijn ingediend bij het hof. Dat gebeurde echter op gebrekkige wijze: per gewone (onbeveiligde) e-mail, en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail is voorgeschreven. In dergelijke gevallen moet de rechter de indienende partij in de gelegenheid stellen om dit gebrek te herstellen door – binnen een door de rechter te bepalen termijn – hetzelfde beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij hiervan geen gebruik, dan kan de rechter overgaan tot niet-ontvankelijkheid.
Cassatieberoep verworpen
In deze zaak zou het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel zijn, aldus de Hoge Raad. Dan kan de rechter de herstelmogelijkheid achterwege laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk verklaren. Dit komt overeen met artikel 33 lid 6 Rv, dan sinds 1 juli 2025 geldt, een regeling over een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw, zoals advocaat-generaal Ruth de Bock eerder had geconcludeerd.
