De Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel dat de basis vormt voor modernisering van de rechtspraak. Hoewel de Raad van State de strekking van het wetsvoorstel onderschrijft, plaatst het ook een aantal kanttekeningen over de digitalisering in combinatie met vereenvoudiging en uniformering en de financiële gevolgen. Daarbij maakt de Raad van State een aantal technische opmerkingen.
Het gaat om het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met de vereenvoudiging en de digitalisering van het procesrecht. Dit voorstel is afgelopen maandag naar de Tweede Kamer gestuurd. Doel van de wet is gerechtelijke procedures eenvoudiger, begrijpelijker, sneller en digitaal toegankelijk te maken. Zo komt er één eenvoudige basisprocedure in het civiele recht en bestuursrecht, die via de computer gestart en gevolgd kan worden. Professionele partijen worden verplicht om digitaal te procederen.
De Raad van State heeft zijn twijfels over het verplicht stellen van digitaal procederen. Dat acht de Raad in combinatie met de vereenvoudiging en uniformering van het procesrecht niet noodzakelijk. “Door beide, ongelijksoortige, onderwerpen te koppelen worden de doelen van het wetsvoorstel bovendien afhankelijk gesteld van het welslagen van de automatisering. Dat welslagen is volgens de Afdeling advisering nog allerminst zeker.”
Daarnaast wijst de Raad van State erop dat de modernisering van de rechtspraak ‘aanzienlijke investeringen’ van de gerechten vraagt. “Van de hoogte van deze kosten bestaat bij de gerechten nog geen beeld, evenmin is er zicht op wie die kosten moet dragen.” De Raad adviseert het wetsvoorstel te voorzien van een adequate beschrijving van de financiële gevolgen en van de daarvoor noodzakelijke dekking.
Klik voor het advies van de Raad van State hier.
