Van de civiele vonnissen die in hoger beroep komen is 81% ‘voldoende’ tot ‘goed’. Dit blijkt uit onderzoek van de Rechtspraak naar de werkwijze bij de totstandkoming van 632 civiele vonnissen. Met name in de uitleg van het vonnis en het motiveren van de beslissing, scoren de civiele rechters bovengemiddeld goed.
Na een kleinschalig onderzoek in 2010, zijn nu voor het eerst op grote schaal vonnissen getoetst op de werkwijze van de rechter. Door 158 raadsheren is gekeken of de belangrijkste geschilpunten van de zaak in het vonnis aan bod komen, maar ook hoe een rechter zijn beslissing uitlegt en motiveert. Voor het toetsen van een vonnis zijn juridische kennis, rechterlijke vaardigheden en kennis van het dossier nodig. Gebleken is dat als deze kennis en vaardigheden aanwezig zijn, de kwaliteitstoetsing relatief weinig tijd kost. Daarom is er voor gekozen om de toetsing te laten uitvoeren door raadsheren die betrokken zijn bij de behandeling van lopende zaken in hoger beroep.
Onderzocht zijn de vonnissen waartegen één van de partijen beroep heeft aangetekend. Van de ruim 600 getoetste vonnissen kreeg ongeveer een kwart het totaaloordeel ‘goed’, ruim de helft is als ‘voldoende’ beoordeeld. Daarmee is 81 procent van alle onderzochte vonnissen positief beoordeeld. Daarnaast werd zestien procent als ‘onvoldoende’ en drie procent als ‘slecht’ bestempeld. Bij de uitkomsten van het onderzoek kan een kanttekening geplaatst worden. Slechts in vijf à zes procent van de civiele vonnissen hoger beroep wordt aangetekend. Omdat ontevredenheid over het vonnis een reden voor hoger beroep kan zijn, is het niet ondenkbaar dat dit type vonnissen gemiddeld gezien in mindere mate aan de eisen voldoet.
Klik voor het hele bericht hier.
