Anders dan in andere rechtsgebieden zijn we in het strafrecht nog niet zo gewend aan de rechtstreekse werking van richtlijnen en bemoeienis van het Europese Hof van Justitie bij de interpretatie ervan. Met ingang van 1 december krijgt dit hof ook volledige jurisdictie over de pre-Lissabon regelgeving op strafrechtelijk gebied. Daardoor zal het hof een belangrijke rol gaan spelen bij de ontwikkeling van processuele waarborgen waar voorheen het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de scepter zwaaide.
Dat schrijft Taru Spronken, advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf(proces)recht, in haar blog op njb.nl. Spronken schrijft verder: “Wat nog in de praktijk moet doordringen is dat daarbij iedere strafrechter, of dat nu de rechter-commissaris in de Rechtbank Limburg is of het Hof Den Haag, in beginsel Unierechter is, Unierecht moet toepassen en prejudiciële vragen kan stellen. Alleen de Hoge Raad is daartoe verplicht als het gaat om een kwestie die niet zonder meer duidelijk is of waarin het Hof van Justitie nog niet eerder uitspraak heeft gedaan. Tot nu toe heeft de Hoge Raad op strafrechtelijk gebied, voor zover ik dat heb kunnen nagaan, welgeteld één keer een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld. Dat zal ongetwijfeld gaan veranderen.”
