Mijn professor zei: “Dieren zijn zaken… maar ook weer niet!’’. Na het hoorcollege ging ik er goed over nadenken en besloot ik om er eens goed naar te kijken. En verhip, het klopt! Artikel 3:2a lid 1 is erg duidelijk daarin: “Dieren zijn geen zaken.’’ Lid 2 BW stelt onomwonden: “Bepalingen met betrekking tot zaken zijn op dieren van toepassing, met in achtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en de goede zeden.” Deze constructie schept een juridische frictie.
De systematische tegenstrijdigheid
Het goederenrecht kent traditioneel een strikte systeem van rechtssubjecten en rechtsobjecten. Door dieren formeel buiten de categorie ‘zaak’ te plaatsen zonder een wezenlijke categorie te creëren, ontstaat er normatieve onduidelijkheid. Wat betekent het dat dieren geen zaken zijn, wanneer eigendom, bezit, verjaring en andere zakenrechtelijke instituten onverkort van toepassing blijven?
Deze spanning wordt duidelijk zichtbaar in artikel 6:179 BW, dat een risicoaansprakelijkheid voor dierhouders handhaaft. Deze aansprakelijkheid is gebaseerd op de gedachte dat men verantwoordelijk is voor gevaar afkomstig van eigen bezit. Dat uitgangspunt botst met de erkenning van dieren als levende, voelende wezens met intrinsieke waarde. Indien dieren werkelijk geen objecten zijn, is het moeilijk te rechtvaardigen dat zij juridisch worden behandeld als gevaarlijke instrumenten.
Ook binnen het verbintenissenrecht wringt de constructie. Dieren gelden als leverbare goederen en vallen onder de regels van non-conformiteit. De beoogde statusverhoging van dieren blijft hier grotendeels symbolisch, terwijl de praktische behandeling zaakgericht is.
Status quo versus herziening
Tegenover deze inconsistentie staat het argument van rechtszekerheid. Het huidige systeem biedt voorspelbaarheid voor de rechtspraktijk en sluit aan bij eeuwenoude zakenrechtelijke principes. Een fundamentele herziening zou grote economische en juridische onzekerheid veroorzaken, met verstrekkende gevolgen voor sectoren als veehouderij, huisdierensector en biotechnologie. Bovendien zou de creatie van een eigen categorie voor dieren decennia aan wetgevingsarbeid vergen en risico’s meebrengen.
Toch voelt de huidige constructie intellectueel onbevredigend. Een rechtssysteem dat stelt dat dieren geen zaken zijn, maar ze vervolgens volledig als zaken behandelt, mist interne consistentie. Wetenschappelijke inzichten over dierlijk bewustzijn en cognitie ondergraven de legitimiteit van deze benadering. Rechtsvergelijkend gezien is Nederland bovendien terughoudend, zeker in vergelijking met landen die verdergaande juridische erkenning van dieren kennen.
Conclusie: 1-1 in het recht
De juridische positie van dieren in het Nederlandse recht bevindt zich in een theoretisch onhoudbare maar praktisch functionerende tussenstand. De vraag is niet of de huidige situatie onhoudbaar is, dat is het niet, maar of de voordelen van fundamentele hervorming opwegen tegen de kosten en risico’s.
Een middenweg lijkt onvermijdelijk: geleidelijke hervorming via sectorale wetgeving (aanscherping Wet dieren, herziening van art. 6:179 BW naar zorgplichtaansprakelijkheid, procesrechtelijke vertegenwoordiging) zonder complete deconstructie van het vermogensrechtelijke systeem. Dit biedt dogmatische verbetering zonder systemische ontwrichting. De keuze tussen status quo en herziening is echter een politieke afweging tussen rechtsstabiliteit en normatieve progressie, een afweging die de rechtswetenschap kan informeren maar niet kan beslechten.
