Dat blijkt uit de evaluatie van de Wet computercriminaliteit III die het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum deed. De wet trad in 2019 in werking.
Hacken
Wat de wetgever met de wet beoogde is volgens de onderzoekers gelukt: de mogelijkheden om computercriminaliteit en andere vormen van ernstige criminaliteit op te sporen en te vervolgen zijn versterkt.
Door de wet is een aantal gedragingen strafbaar geworden, zoals bijvoorbeeld het stelen en helen van gegevens. Ook online handelsfraude kreeg een wetsartikel. Daarnaast biedt de wet nieuwe manieren om criminaliteit op te sporen en te verstoren. Zo mag de politie onder voorwaarden apparaten van verdachten, zoals telefoons en servers, hacken.
Ingrijpend
Het inzetten van de nieuwe bevoegdheden is ingrijpend ten opzichte van de rechten van verdachten, schrijven de onderzoekers, en daarom is het belangrijk dat de inzet daarvan goed getoetst wordt. Dat geldt des te meer omdat de politie in de toekomst ook technische hulpmiddelen die niet (volledig) zijn goedgekeurd mag gebruiken. Werken met alleen goedgekeurde technische hulpmiddelen bleek niet realistisch te zijn, vandaar dat de toenmalig minister van Justitie en Veiligheid heeft bepaalt deze voorwaarde te verruimen.
Rechtsstatelijke waarborg
De minister ging er daarbij van uit dat het bewijs dat wordt verzameld met de hackbevoegdheid ter zitting door rechters wordt getoetst. Maar tot nu toe hebben rechters zich slechts zeer sporadisch inhoudelijk gebogen over de inzet van deze bevoegdheid, zo blijkt uit de evaluatie. Dat betekent dat geen recht wordt gedaan aan een belangrijke rechtsstatelijke waarborg waarvan wel verondersteld wordt dat die in de praktijk aanwezig is. Het WODC noemt dit een belangrijk aandachtspunt.
Demissionair minister Van Oosten laat weten dat het demissionaire kabinet zo snel mogelijk met een reactie op het WODC-rapport hoopt te komen.
