“Zo waarlijk helpe mij God almachtig”

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Professionele “rechtspraktijkers” zullen zich wanneer zij in de rechtszaal voor de zoveelste maal door een getuige of deskundige de eedsformule horen uitspreken de betekenis daarvan wellicht nauwelijks realiseren. Misschien dat een flauwe glimlach hun gelaat opfleurt wanneer zij daarbij van de kant van rechter en getuige de gebruikelijke miscommunicatie aanhoren. Dat gaat ongeveer zo:

Rechter: “Wilt U als getuige de eed of de belofte afleggen dat U de waarheid en niets dan de waarheid zult spreken?“

Getuige: “Tja, ik weet niet. Wat is het verschil? “

Rechter: “Voor het gevolg maakt het niet uit. In beide gevallen staat U onder ede en bent U verplicht de waarheid te spreken. Of U de eed of de belofte aflegt moet U zelf weten. Meestal legt iemand die in God gelooft de eed af en wie dat niet doet de belofte.”

Getuige: “Doet U dan maar de eed”.

Rechter: “Wilt U dan de twee voorste vingers van Uw rechterhand opsteken en mij nazeggen: zo waarlijk helpe mij God Almachtig.”

En dan zegt de getuige bijvoorbeeld: “zo ware helpe mij God. Allemachtig”.

Hier gaat een wereld achter schuil.

De tekst “Zo waarlijk helpe mij God Almachtig” wordt in de rechtszaal gebezigd op grond van de “Wet vorm van de eed“ uit 1911. In de Wet vorm van de eed wordt nog wel een alternatief opengelaten want er staat : “tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed, de belofte op andere wijze te doen”. Daar wordt weinig gebruik van gemaakt. Getuigen zullen er ook meestal niet van op de hoogte zijn.

Wij kennen in Nederland nog andere eden zoals de ambtseed. De ambtenaar zweert of belooft bij zijn ambtsaanvaarding zijn ambt goed te zullen vervullen. Leden van de Eerste en Tweede Kamer zweren of beloven dat zij ten behoeve van hun verkiezing geen geschenken hebben gegeven of beloften hebben gedaan ( de zuiveringseed) en dat zij de grondwet in ere zullen houden.

Ook hier bepalen de gegadigden zelf of zij de eed – of de belofte afleggen. Maar alternatieve eedsteksten zijn hier niet geregeld.

Wat is daarvan nu het gevolg?

Het politiekorps Kennermerland had de afgelopen jaren een aantal moslim-politie-agenten de gelegenheid gegeven bij hun ambtsaanvaarding de eed op islamitische wijze te bevestigen. Zij legden dan de eed af “In de naam van Allah, de Barmhartige Erbarmer, en hij is mijn getuige dat ik dit beloof”, waarbij de rechterhand op de koran wordt gelegd.

Dit leidde tot kamervragen van SGP en PVV (bien étonnés de se trouver ensemble?) die wilden weten of een eed op Allah wel kon (met voor de SGP wellicht als achterliggende gedachte dat zo’n eed de superioriteit van het christelijke geloof ondermijnde terwijl de partij van Wilders “van nature “ al helemaal niets van islamitische eedsafleggingen moet hebben).

De Minister van Binnenlandse Zaken heeft inmiddels laten weten dat die islamitische eed niet mag. De “politierechtspositie” laat geen afwijkende formuleringen toe. “Een andere wijze van bekrachtiging van de eed is in strijd met de regelgeving en keur ik daarom niet goed”, aldus de Minister categorisch.

De “Wet Vorm van de eed” is dus wel op eedsafleggingen in gerechtelijke procedures van toepassing maar niet bij ambtsaanvaardingen.

Dit was ook door de Raad van State al in 2002 al eens beslist nadat de voorzitter van Provinciale Staten van Noord Holland had geweigerd een lid van die Staten in afwijking van de voorgeschreven tekst (“Zo waarlijk helpe mij God Almachtig”) de tekst “Zo waarlijk helpe mij God” te laten uitspreken.

Tja.

Het standpunt van de Minister is misschien wetstechnisch gezien juist maar lijkt mij toch hoogst ongelukkig en bovendien fnuikend voor de integratie van allochtonen die hier te lande nu juist tot regeringsdoelstelling is verheven.

De betekenis van de eed is toch dat iemand een bepaalde, van overheidswege van hem gevraagde, verklaring kracht bijzet door daarbij zijn band met “iets hogers” in het geding te brengen. Zijn of haar persoonlijk geloof in dat hogere is daarbij nu juist bij uitstek in het geding. En dus ook de formulering daarvan.

Wie belooft de waarheid te zullen spreken en dan zegt: “Zo waarlijk helpe mij God Almachtig” geeft daarmee aan dat die God – op wie hij gezworen heeft en in wie hij kennelijk gelooft – op het waarheidsgehalte toeziet. Een garantie dat hij de waarheid zal spreken biedt dat niet, een morele aanspraak des te meer. En voor ( het zweren van) een behoorlijke ambtsvervulling geldt dat al niet anders.

Als het inderdaad zo is dat de huidige wet een andere vorm van eedsaflegging dan degene die typisch op de christelijke godsdienst is gericht niet toelaat dan wordt het hoog tijd die wet te wijzigen. Maar er is geen aanwijzing dat iemand dat wil.

Het argument dat er geen sprake is van ongelijke behandeling van verschillende godsdienstige overtuigingen omdat men om de functie met het oog waarop de eed moet worden afgelegd ook kan bereiken door de belofte af te leggen ( aldus de Raad van State in 2002) is mager. De anders-dan-christelijk gelovige wordt immers de mogelijkheid ontnomen die functie-aanvaarding op zijn manier zo oprecht mogelijk in te luiden.

G.Overdiep, eertijds president van de rechtbank in Groningen noemde ons eedsgebaar in 1985 “een door een zee van modern recht omspoeld eilandje, waarvan niemand zich meer bewust is, dat het de top is van de hoogste berg van een voor ons voor eeuwig verzonken wereld van mystiek” ( zie het zeer lezenswaardige pamflet “Ons Eedsgebaar“; 1985). Uit de voorgeschiedenis van de eed zoals hij die in dit pamflet schetst volgt trouwens onmiskenbaar dat de eedsvorm zelf ( het opsteken van de twee voorste vingers van de rechterhand) met name op basis van het christelijk geloof betekenis heeft hoewel de interpretatie toch kan verschillen ( heilige drie-eenheid, als je de duim erbij rekent, reken je strikt de twee vingers dan gaat het om de verbeelding van het mysterie van de beide Naturen van Christus).

Wanneer wij hier te lande niet bereid zijn de “niet christelijke eed “ op gelijkwaardige wijze mogelijk te maken dan kunnen wij dat mystieke gebaar beter helemaal afschaffen en vervangen door in de wet als algemene verplichting vast te leggen dat bij bepaalde gelegenheden de waarheid moet worden gesproken. Het strafrechtelijk gevolg van liegen blijft dan bestaan. De morele persoonlijke aanspraak, samenhangend met de geloofsovertuiging van de betrokkene, zullen wij dan moeten missen.

Misschien is er nog een andere mogelijkheid waarbij de bijzondere persoonlijke band van de betrokken eedsaflegger in het geding kan worden gebracht . En zelfs zonder onderscheid van godsdienst. Zo zouden wij de eed bijvoorbeeld kunnen doen zweren op de moeder van de betrokkene of op haar nagedachtenis. Iedereen heeft immers een bijzondere persoonlijke band met zijn of haar moeder ( vaders komen minder in aanmerking want zijn niet altijd bekend).

Dat laat zich illustreren door “de andere zijde van de eed”, de vervloeking. Hoe vaak niet gebeurt het dat een ruzie ontstaat omdat de een de moeder van de ander beledigt. In de strafrechtszaal passeren dergelijke conflicten dagelijks de revue.

Jongen zegt in een disco tegen een meisje: “hé, kankerhoer”.

Meisje: “Een kankerhoer, dat is je moeder”.

Dat wordt dan geheid meppen. Aan moeders mag niet worden gekomen. Maar omgekeerd levert dat dan toch juist een prachtige, uniforme overal te gebruiken eedstekst op:

“Dat zweer ik op (de nagedachtenis van) mijn moeder”.

Reken maar dat dat het aantal meineden zal doen verminderen.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Ook interessant:

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten.

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl