De zaak kwam eind 2024 aan het rollen toen er bij de rechtbank Overijssel zorgen ontstonden rondom de kwaliteit van de door de afhechtingsadvocaat ingediende stukken. Het viel medewerkers van de rechtbank op dat er continu fouten stonden in de echtscheidingsconvenanten die de advocaat daar aanleverde. De griffier van de rechtbank had als gevolg daarvan in toenemende mate cliënten van de advocaat aan de telefoon met allerlei vragen over de gang van zaken. Regelmatig ging het om cliënten die wanhopig waren, huilden en niet eens zeiden te weten wie hun advocaat was.
‘Onbenul’
Navraag door rechtbankmedewerkers bij de advocaat leverde geen plezierige gesprekken op, zo blijkt uit de uitspraak van de Raad van Discipline. “[Verweerder] heeft zich uiterst onfatsoenlijk en onprofessioneel uitgelaten tegen meerdere griffiemedewerkers. Dat maakt dat de contacten met hem als vervelend worden ervaren.”
Zo maakte de advocaat een rechtbankmedewerker uit voor ‘onbenul’ en gaf hij later aan daar “geen spijt van” te hebben. “Navraag levert op dat [verweerder] tegen griffiemedewerkers heeft gezegd: ‘wat een achterlijk gedoe’, ‘welke idioot heeft deze brief geschreven’ en ‘wat is dit voor een idioot gedoe’.”
Onderzoek
Omdat de situatie alleen maar verder verslechterde, maakte de rechtbank begin 2025 een melding bij de deken over het reilen en zeilen van de man. De Landelijke organisatie toezicht advocatuur stelde daarop een onderzoek naar de advocaat in. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat de praktijk van verweerder “alleen of grotendeels” uit verzoeken tot echtscheidingen bestond. “Verweerder verricht naar eigen opgave ongeveer 1.700 afhechtingen per jaar, ofwel gemiddeld 30 per week, zes per dag.”
Op de bevindingen van de onderzoekers reageerde de afhechtingsadvocaat gelaten: hij werkte naar eigen zeggen samen met “zeer professionele mediators”. Er vond naar zijn mening “controle plaats op het werk van de mediator, maar hun werk hoeft niet als een schooljuffrouw te worden gecontroleerd”. Hij vond dat hij zijn cliënten “voldoende geïnformeerd” had.
Tien minuten
De deken dacht daar echter anders over. Uit de onderzoeksresultaten bleek namelijk dat de man zijn cliënten gemiddeld nog geen half uur sprak. In excessieve gevallen spraken cliënten hun advocaat zelfs slechts zo’n tien minuten. “Op grond van deze (minimale) tijdsbesteding kan de conclusie worden getrokken dat verweerder niet aan zijn zorgplicht kan hebben voldaan. Deze tijdsbesteding staat bovendien in schril contrast tot wat de Raad voor Rechtsbijstand voor de afhechting een normale tijdsbesteding vindt, te weten 2,5 uur.”
De Raad van Discipline komt dan ook tot de slotsom dat de advocaat “in een zeer groot aantal zaken en gedurende een lange periode ernstig tekort is geschoten in zijn bijstand en daarbij heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit.” De Raad schrapt de man als advocaat, temeer omdat de “verweerder ter zitting geen, althans onvoldoende, inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen”. Naast de schrapping moet de man 1.250 euro aan proceskosten vergoeden.
