4.2 De klacht van klaagster is aanvankelijk gericht tegen drie met naam genoemde gerechtsdeurwaarders. Ter zitting is helder geworden dat de klacht zich richt tegen de gerechtsdeurwaarder die het gewraakte exploot van 29 augustus 2024 heeft betekend. Nu de in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarder als behandeld en uitvoerend toegevoegd gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk gehouden moet worden voor de beklaagde ambtshandeling zal hij als beklaagde worden aangemerkt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 Gdw oplevert.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer als volgt. Klaagster heeft ter zitting dit klachtonderdeel (nader) toegelicht door te stellen dat de vordering, in het bij exploot van 29 augustus 2024 gedane bevel, niet op deze wijze geëxecuteerd kan worden, omdat het gevorderde bedrag nergens wordt onderbouwd.
4.4 De kamer stelt voorop dat op een gerechtsdeurwaarder (op grond van artikel 11 Gdw) een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. Daar staat tegenover dat een gerechtsdeurwaarder als zelfstandig openbaar ambtenaar bij de uitvoering van zijn opdrachten een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarbij hij zowel met de belangen van zijn opdrachtgever als met die van de wederpartij rekening dient te houden. Gelet op de opdracht tot de betekening van de echtscheidingsbeschikking met bijgevoegd echtscheidingsconvenant en het doen van bevel, bestaat die eigen verantwoordelijkheid erin dat marginaal dient te worden getoetst of de verstrekte titel voldoende grond biedt voor het uitvoeren van de opdracht. Een diepgravend onderzoek wordt van de gerechtsdeurwaarder niet verlangd. Wel dient een nog grotere mate van zorgvuldigheid in acht te worden genomen als het gaat om vorderingen tussen ex echtelieden, waarbij niet uit het oog moet worden verloren de (soms) prikkelbare situatie tussen partijen.
4.5 Voor het deugdelijk uitvoeren van een opdracht dient de vordering in elk geval voldoende bepaalbaar te zijn. Over de bepaalbaarheid van de vordering verwijst de gerechtsdeurwaarder naar de brief van 6 augustus 2024 van zijn opdrachtgever, waarin uiteengezet wordt hoe de vordering tot stand is gekomen. Een belangrijk punt voor deze uiteenzetting is de opgave (van winst, belasting en premies op grond van de Zorgverzekeringswet) die klaagster kennelijk heeft verstrekt om te komen tot een hoofdsom. Nu de gerechtsdeurwaarder van zijn opdrachtgever een gespecificeerde vordering gepresenteerd heeft gekregen – waar klaagster betrokken bij was – heeft de gerechtsdeurwaarder aan de marginale toetsing voldaan. Dat klaagster aanspraak maakt op verrekening is een discussie die primair dient plaats te vinden tussen klaagster en de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Dat de gerechtsdeurwaarder het standpunt van zijn opdrachtgever volgt levert dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt op. Wel merkt de kamer het volgende op. Tijdens de discussie tussen partijen over de verrekening heeft de gerechtsdeurwaarder aanleiding gezien de tenuitvoerlegging on-hold te zetten. Dit is niet aan klaagster gecommuniceerd. Evenmin heeft de gerechtsdeurwaarder aan klaagster de mogelijkheid van het starten van een executiegeschil voorgehouden. Dit had wel van hem verwacht mogen worden en in zoverre kan hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.
4.6. De gerechtsdeurwaarder heeft voorts bij exploot van 29 augustus 2024 (tevens) bevel gedaan en heeft dit gedaan op grond van een afschrift, terwijl dit op grond van een grosse had moeten zijn. Volgens de gerechtsdeurwaarder is sprake van een menselijke vergissing geweest. Nu het hier om een kerntaak van een gerechtsdeurwaarder gaat vindt de kamer dit tuchtrechtelijk laakbaar (ook al betreft het een menselijke vergissing).
