Devrim Kroese (Strafrechtswinkel Amsterdam) over een niet aangelijnde hond

Na ruim drie jaar heeft Devrim Kroese in september afscheid genomen van de stichting Strafrechtswinkel Amsterdam. In juni 2019 begon hij als medewerker, later werd hij penningmeester en hij eindigde zijn loopbaan bij de Strafrechtswinkel als voorzitter. Lees hier waarom Devrim zich ruim drie jaar lang heeft ingezet voor de stichting. 

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email
In het midden: Devrim Kroese (foto: Joris van Gennip)

Als eerste is het misschien goed om uit te leggen wat de Strafrechtswinkel precies doet?
Ja, wij helpen mensen die tussen wal en schip geraken, omdat veel mensen te weinig financiële middelen hebben voor bijstand door een advocaat. Daarnaast moet ook voor de door de overheid gesubsidieerde rechtsbijstand, ook wel toevoeging genoemd, betaald worden. Die eigen bijdrage kunnen mensen soms niet betalen of het is zo dat die eigen bijdrage het boetebedrag, waar het de burger om te doen is, overstijgt. Wij als stichting Strafrechtswinkel Amsterdam springen in dat gat. Wij zorgen ervoor dat mensen kosteloos toch goede juridische bijstand krijgen. Dit doen wij in samenwerking met een advocatenkantoor. Hierdoor zorgen wij ervoor dat het niveau binnen de rechtswinkel hoog blijft. 

Waarom besloot je in 2019 om bij de Strafrechtswinkel Amsterdam te gaan werken?
Via medestudenten, die al bij de Strafrechtswinkel werkten, hoorde ik dat je via deze rechtswinkel kon procederen. Het leek mij leuk en interessant om mensen te helpen die problemen hadden met overheidsinstanties en hun zaken te bepleiten bij de rechter. Aan het begin van mijn rechtenstudie lag mijn interesse vooral bij het strafrecht, dus het leek mij leuk om dit in de praktijk toe te kunnen passen. 

Hoe was dat om voor de eerste keer te pleiten voor de rechter en wat voor zaak was dit?
De zaak betrof een boete voor het niet aanlijnen van een hond. Op de plek waar de hond aangelijnd moest zijn stond oorspronkelijk een bord. Maar dit bord was vernield. Via Google Maps achterhaalden mijn collega en ik dat het bord gedraaid stond richting de struiken en het op de grond lag. Het verweer richtte zich dus op het feit dat cliënt het bord niet had gezien. Het was ook meer een principiële kwestie. De betreffende cliënt had zich erg ingezet voor de buurt, zo ging hij met prikkers de straat op om afval op te ruimen. En nu had juist deze cliënt een boete gekregen in de buurt waar hij zich zo voor inzette. Het pleiten ging goed, maar de eerste keer was best wel spannend! Ik ging met knikkende knietjes naar de rechtbank. Ineens sta je na ruim drie jaar studeren voor de rechter een zaak te bepleiten. Het waren er overigens meer tegelijk bij dezelfde rechter. Maar op het moment dat ik begon met praten, viel alle spanning van mij af. 

En welke zaak is je het meest bijgebleven?
Eigenlijk zijn er twee zaken die mij het meest zijn bijgebleven. De eerste zaak was vooral inhoudelijk heel interessant. Mijn cliënt zou een verbalisant met een kettingslot hebben geslagen en zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan straatschenderij. Maar eigenlijk had ik na het lezen van het dossier meteen door dat er iets niet klopte en het bleek dan ook een kansrijke zaak te zijn. De agent had verklaard dat hij met grote kracht een kettingslot op zijn hoofd gegooid had gekregen. In de tenlastelegging stond echter dat cliënt een goed had beschadigd, dus de tenlastelegging klopte niet. Mijn collega en ik wisten dat de officier van justitie dit op de zitting wel zou aanpassen. Dus gingen we ons verweer richten op de opzet die in het woord ‘baldadigheid’, in de delictsomschrijving van straatschenderij in artikel 424 Wetboek van Strafrecht, besloten ligt. Dat is bijzonder omdat voor de meeste overtredingen geen schuld of opzet vereist is. 

Client zwaaide het kettingslot achteruit, niet wetende dat de agent achter hem liep. Hier was dus hooguit sprake van voorwaardelijke opzet: het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat hij iemand zou raken. Er liepen namelijk veel mensen op het plein waar het was gebeurd. De agent had verklaard dat cliënt met grote kracht had gegooid. Wij hadden het betreffende slot opgezocht: het betrof een Stalex slot van ruim twee kilo. De agent had verklaard dat hij geen pijn had en geen letsel. Wij concludeerden dat dit niet mogelijk was. Als je met grote kracht een slot naar iemand gooit, dan moet je wel pijn en letsel hebben gehad. De waarneming van de agent kon dus niet kloppen. Dit juridisch formeel puntje zorgde er dus voor dat we de zaak toch wonnen, terwijl het eerst kansloos leek. 

En waar ging die tweede zaak die je is bijgebleven over?
Die zaak betrof een bijzondere cliënt. Hij zou medewerking aan een blaastest geweigerd hebben, dus had het CBR mijn cliënt een cursus opgelegd. In dit geval liep er ook nog – zoals vaker bij CBR-procedures – parallel een strafzaak. Die werd niet door ons behandeld. In eerste instantie dacht ik dat deze zaak nagenoeg kansloos was. Je wint namelijk zelden een CBR-zaak vanwege het bewijsrecht. Voor een maatregel van het CBR is een vermoeden van rijongeschiktheid doorgaans voldoende en een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal is, naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State, voldoende grondslag voor dat vermoeden. Het bijzondere aan deze zaak was het verhaal van mijn cliënt en de bijzondere klik die ik met hem had. Er bleek namelijk veel meer achter te zitten dan alleen het weigeren van een blaastest. Hij bleek daarna meegenomen te zijn naar het bureau, er was een nekklem bij mijn cliënt toegepast en hij zou geweigerd hebben mee te werken aan een bloedtest op het bureau. Volgens cliënt deed de blaastest het niet en had de verbalisant leugenachtig verklaard door te zeggen dat cliënt had geweigerd mee te werken. In de beginfase kon ik daar niet veel mee, omdat er een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal lag met een totaal andere lezing van de feiten. Op enig moment bleek dat hetgeen wat mijn cliënt aan mij vertelde waar was, toen er in de parallelle strafprocedure allemaal processen-verbaal boven water kwamen, waaruit de tegenstrijdigheden in het geverbaliseerde duidelijk volgden. Het was een mooie zaak omdat ik een band opbouwde met deze cliënt en veel tijd in de zaak had gestoken. De afstand tussen cliënt en mij werd hierdoor wel kleiner en dat is soms moeilijk. De zaak begint je namelijk zelf te raken, omdat je zo meeleeft. Er was namelijk zo veel mis in deze zaak en dat het bijna persoonlijk wordt. Als je denkt dat er iemand onrecht wordt aangedaan, dan gaat een beslissing van een rechter je aan het hart. 

Waarom zou je het andere studenten aanraden om bij een rechtswinkel te gaan werken?
Het is heel leuk en leerzaam om iets in de praktijk te doen naast je studie. Bij een rechtswinkel leer je de theorie te vertalen naar de praktijk. En dat moet je doen in normale ‘mensentaal’. Je krijgt te maken met concrete problemen van iemand, die juridisch-inhoudelijk vaak niet eens zo interessant zijn, maar op het terrein van persoonlijke omstandigheden moeten worden bestreden. Hier leer je veel van en het werk geeft voldoening. Een probleem dat op het eerste gezicht klein lijkt, zoals een verkeersboete, kan namelijk veel impact hebben op het leven van een cliënt. 

Wat is dan de meerwaarde om als rechtenstudent specifiek bij de Strafrechtswinkel Amsterdam te werken?
Bij de strafrechtswinkel procedeer je, in tegenstelling tot veel andere rechtswinkels. Het kan zo maar zijn dat je een maand nadat je bent aangenomen al in de rechtszaal staat. Dat is heel leerzaam. Je komt er op die manier achter of een togaberoep iets voor je is. Daarnaast ervaar je hoe het is om te spreken onder druk en hoe je omgaat met cliënten. Bij de Strafrechtswinkel hebben we vaak te maken met cliënten die het sociaaleconomisch niet geweldig hebben. Je moet je geroepen voelen om die mensen te helpen en daar voldoening uit te halen. Je cv moet niet je primaire drijfveer zijn om hier te komen werken. Het is belangrijk om een intrinsieke motivatie te hebben om mensen te helpen die tussen wel en schip raken, mensen die problemen krijgen met de overheidsinstanties. Dit maakt ook dat de Strafrechtswinkel heel geschikt is voor studenten die nu al weten dat zij later niets met het strafrecht gaan doen of daar nog aan twijfelen. Hoewel ik aanvankelijk dacht iets met strafrecht te gaan doen, was ik al tamelijk snel onder de indruk van het privaatrecht. Toch ben ik ruim drie jaar gebleven tot aan mijn aanstelling als PhD-fellow Privaatrecht aan de Universiteit van Amsterdam. 

Bij de Strafrechtswinkel werk je bovendien samen met leuke, jonge, ambitieuze medestudenten. Er zijn gezellige borrels, we gaan een jaarlijks een weekend weg, en we organiseren leuke en leerzame uitjes, zoals een bezoek aan de Hoge Raad. Ik heb dan ook een onwijs leuke en leerzame tijd gehad bij de Strafrechtswinkel Amsterdam en ga het zeker missen!

 

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top