Een werkgever exploiteert een manege waar voornamelijk paardrijlessen worden verzorgd. Er worden nog wat andere activiteiten verricht, zoals de stalling van paarden. Daarnaast is op kleine schaal gestart met dagbesteding, een zorgactiviteit. Daar is ook personeel voor aangenomen. De verplichtstellingsbeschikking van PFZW kent op de meeste punten het zogenaamde hoofdzakelijkheidscriterium. Dat impliceert dat meer dan 50 procent van de activiteit moet zien op de in het verplichtstellingsbesluit omschreven activiteiten. Dat kan dan gaan om meer dan 50 procent van de loonsom of de uren et cetera. Voor de onderhavige zorgactiviteit geldt echter geen hoofdzakelijkheidscriterium en deze valt daarom direct onder de verplichtstelling. De werkgever verweerde zich daartegen met verschillende argumenten, zoals het niet zijn van een zorginstelling. Dat mocht de werkgever echter niet baten. Hierdoor ontstond een aansluitingsverplichting met terugwerkende kracht.
Feiten
De werkgever in deze zaak hield en houdt zich bezig met de exploitatie van een manegebedrijf. De hoofdactiviteit is het aanbieden van paardrijlessen aan de verschillende groepen. Al dan niet ingedeeld naar leeftijd en/of ervaring. Ook biedt de manege de mogelijkheid om paarden tegen betaling te stallen. Vanaf 2021 is de onderneming zich ook gaan toeleggen op het daarnaast aanbieden van zorgactiviteiten in de vorm van kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag, gericht op het werken aan zelfstandigheid, zelfvertrouwen en sociale vaardigheden. Vaak mensen met een afstand tot de gewone arbeidsmarkt. De werkgever heeft hiervoor naast de reeds in dienst zijnde dierenverzorgers ook een orthopedagoog in dienst genomen. Door deze activiteitenuitbreiding wordt ook financiering op grond van de Wmo en de Wlz ontvangen.
PFZW is het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de sector Zorg en Welzijn. In de zogenoemde Verplichtstellingsbeschikking staat opgenomen wanneer en bij welke activiteiten een werkgever verplicht is om zich voor diens werknemers aan te sluiten bij en deel te nemen in het pensioenfonds. De onderhavige werkgever had zich echter niet gemeld. Dat laatste is op grond van de Wet Bpf 2000 wel verplicht. Het is niet toegestaan om te wachten tot het pensioenfonds zélf een brief stuurt. Daarmee kan in elk geval niet het moment van deelname worden uitgesteld of opgeschoven naar de toekomst. Op het moment dat binnen de onderneming verplichtgestelde activiteiten worden ontplooid moet een werkgever zich aanmelden bij het pensioenfonds. PFZW heeft echter in deze zaak de werkgever in maart 2025 meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2021 verplicht is aangesloten.
In vervolg daarop heeft PFZW ook een aantal premiefacturen gestuurd over de periode januari 2023 tot en met januari 2025, die de werkgever niet heeft betaald. Het is onbekend of de werkgever in staat is om de facturen te voldoen, maar de werkgever heeft een verklaring voor recht gevraagd dat zij niet onder de werkingssfeer van PFZW valt, stellende dat zij geen zorginstelling is en dat haar zorgactiviteiten inhoudelijk gelijk zijn aan de reguliere manegeactiviteiten, zij het met meer persoonlijke aandacht. Daarnaast wordt een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond uit het verplichtstellingsbesluit. En ten slotte wordt gesteld dat de activiteiten beter passen bij de categorie welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening, waarvoor wél een hoofdzakelijkheidscriterium van meer dan 50 procent geldt waaraan zij niet voldoet.
Oordeel
Een verplichtstellingsbesluit moet worden beoordeeld aan de hand van de zogenoemde cao-norm. De bewoordingen zijn doorslaggevend. Dat past de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:371) in dit geval ook toe.
Het zijn van een zorginstelling is geen vereiste. Bepalend is uitsluitend of de werkgever een van de omschreven vormen van zorg verleent. De werkgever verleent zorg in de vorm van begeleiding, gefinancierd uit de Wmo en Wlz. Dat haar activiteiten hoofdzakelijk uit rijlessen bestaan, doet niet ter zake aldus de kantonrechter. Voor deze categorie van activiteiten bestaat in het verplichtstellingsbesluit geen hoofdzakelijkheidscriterium. Het beroep op de uitzondering slaagt evenmin, nu de werkgever niet heeft betwist dat deze uitzondering uitsluitend ziet op zorg door psychologen en psychotherapeuten. Dat was in eerste instantie niet meegenomen c.q. gelijkgesteld met die van de orthopedagoog. Ook het aangevoerde punt van het ressorteren onder het welzijnswerk snijdt geen hout naar het oordeel van de kantonrechter. Immers blijkt dat de geboden dagbestedingsactiviteiten niet gericht zijn op arbeidsparticipatie en niet worden gefinancierd vanuit de Participatiewet.
Pensioenfonds PFZW heeft, evenals vele andere verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen, op verschillende onderdelen in de verplichtstelling verschillende criteria. Bij bepaalde activiteiten van een onderneming geldt dat die in hoofdzaak, dus meer dan 50 procentverricht moeten worden, maar bij andere activiteiten geldt een dergelijk criterium niet. Dan geldt slechts dat wanneer die activiteit verricht wordt, hoe gering ook, er sprake is van een verplichte aansluiting bij het pensioenfonds. En die verplichte aansluiting geldt dan niet alleen voor de medewerkers betrokken bij de desbetreffende activiteit, maar voor alle medewerkers van de onderneming. Daardoor kan het starten van een activiteit zoals bij de onderhavige werkgever, hoe sympathiek ook, toch onbedoelde gevolgen hebben voor de hele onderneming. Daarmee wil niet gezegd zijn dat dergelijk initiatieven niet meer ontplooid moeten worden, maar het is wel van belang om vooraf goed onderzoek te laten doen door een deskundig adviseur en vervolgens de juiste juridische constructie te kiezen waarbinnen een en ander wordt uitgevoerd. Daardoor kunnen niet bedoelde gevolgen en vaak ook kosten die niet voorzien waren worden vermeden.
