Het Wetboek van Strafvordering bevat de regels waaraan politie, Openbaar Ministerie, rechters en advocaten zich moeten houden in het strafproces. Het huidige wetboek, dat in 1926 in werking trad, is verouderd. Bovendien is het onoverzichtelijk en ontoegankelijk geworden door vele wijzigingen de afgelopen decennia.
Toekomstbestendig
Volgens het ministerie van Justitie en Veiligheid is met de modernisering beoogd het nieuwe wetboek toekomstbestendig te maken, voor burgers en professionals toegankelijk en in de praktijk werkbaar. Het wetboek is inhoudelijk bij de tijd gebracht; zo wordt ingegaan op nieuwe vormen van criminaliteit, als cybercrime en ondermijning. Opsporingsbevoegdheden zijn geactualiseerd, de positie van verdachten en slachtoffers is verduidelijkt. Ook maakt het wetboek (verdere) digitalisering van het strafproces mogelijk.
Twaalf jaar
Aan het opstellen van het nieuwe wetboek werd twaalf jaar geleden begonnen. Het ministerie van daar alle ketenpartners bij, waaronder de politie, het Openbaar Ministerie, de Rechtspraak, de bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke Marechaussee en de advocatuur.
ICT
De Eerste Kamer stemde op 24 februari met een ruime meerderheid in met het wetboek, dat op 1 april 2029 in werking zou moeten treden. Tijdens een debat twee weken eerder bleek een aantal Kamerleden zich wel bezorgd te maken over de digitalisering die tegelijk met het nieuwe wetboek moet worden ingevoerd. Ze waarschuwden ervoor dat als de nieuwe ICT-systemen van onder andere het Openbaar Ministerie dan nog niet goed (genoeg) werken, de invoering van het nieuwe wetboek wellicht moet worden uitgesteld.
