In februari 2025 berichtten wij over de bijzondere uitspraak van de Raad van Discipline in Den Bosch. Wat speelde er ook alweer?
De beklaagde advocaat sluit een overeenkomst met cliënten met de cryptische omschrijving: “De opdrachtgever verstrekt Opdracht tot juridische dienstverlening (….).” De omschrijving laat veel aan de verbeelding over, maar deze opdracht zag op bijstand in een procedure inzake de erfenis. Het betrof de nalatenschappen van een oom en tante van de gevolmachtigden, die geen kinderen hadden en zijn overleden op de leeftijd van 86 respectievelijk 84 jaar. Het saldo van de nalatenschappen bedroeg € 2.223.907,89. Tot dit saldo behoort een bedrag aan contanten dat in hun woning werd aangetroffen. Het ging om € 572.170,00.
De erfgenamen, die de zaak zorgvuldig wilden aanpakken, namen contact op met de Belastingdienst over het fiscaliseren van het contante geldbedrag. Bovendien wilden ze dit contante geld zo snel mogelijk op de ervenrekening krijgen. Maar hoe doe je dat in deze tijd, waarin banken je direct met grote argwaan bekijken en het risico op een overval tijdens de weg naar de bank ineens levensgroot lijkt? Je vraagt aan je advocaat, die toch al bezig was met een procedure, om opdracht te geven aan een geldtransportbedrijf om het geld te komen ophalen. Waarom aan de advocaat ? Omdat het transportbedrijf geen zaken deed met particulieren, maar wel met advocaten. En de advocaat, dienstverlenend als hij was, stemde in.
In een aanvullende opdracht werd schriftelijk vastgelegd ‘ontvangen contant gedeelte nalatenschap op derdenrekening teneinde onverwijld door te storten naar de ervenrekening’. Het advocatenkantoor gaf het geldtransportbedrijf opdracht om het geld op te halen. Het geldtransportbedrijf stortte het geld op de eigen rekening in Duitsland en daarna door naar de derdenrekening van de advocaat, die het doorstortte naar de ervenrekening. Het betreffende bedrag werd netjes in de boedelbeschrijving opgenomen.
Wwft-dienst? De deken vond van wel en klaagde erover dat de advocaat de aanvullende opdracht ten onrechte niet als zodanig had aangemerkt. De Raad stelde vast dat de advocaat ook bijstand verleende in de erfrechtzaak waarbij de betreffende contanten tot de boedel behoorden, maar zag de diensten volledig los van elkaar. Daarbij werd als argument gebruikt dat het laten ophalen van geld niet onder de procesvrijstelling van de erfrechtzaak viel. Er werd uiteindelijk een schorsing uitgesproken van 18 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk.
De beklaagde advocaat ging in beroep. Niet alleen werd geappelleerd tegen de hoogte van de maatregel, maar tevens werd opnieuw, net als in eerste aanleg, geageerd tegen de ontvankelijkheid van het dekenbezwaar. Ook daarbij had zich namelijk een bijzonderheid voorgedaan. De eigen deken van de beklaagde advocaat, evenals de waarnemend deken, konden de dekenklacht niet indienen omdat de kwestie een kantoorgenoot raakte. Om die reden liet de deken Limburg de bevoegdheid om het dossier te onderzoeken, te beoordelen en af te handelen over aan de deken Oost-Brabant, zonder dat van correcte mandatering van de bevoegdheden van de deken als toezichthouder sprake was geweest. Het was ook de deken Oost-Brabant die het dekenbezwaar indiende. En dat kon niet volgens het Hof. Er volgt een heel technische uiteenzetting van de bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke bevoegdheden van de deken.
Het Hof stelt in de uitspraak van 30 maart 2026: “De deken heeft in deze zaak het juiste willen doen. Hij achtte zich geconflicteerd om de beoordeling van de uitkomst en de opvolging van het Wwft-onderzoek naar verweerder op zich te nemen. Om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden heeft de deken de zaak overgedragen en deze beoordeling en deze opvolging in handen gegeven van een van hem onafhankelijke ander bestuursorgaan/toezichthouder.
7.37 De wijze waarop dit is gebeurd in dit geval is echter ogenschijnlijk ondoordacht: de aard van de toezichthoudende taken en bevoegdheden van de deken staan in de weg aan het overdragen van deze taken en bevoegdheden aan iemand die niet ondergeschikt is aan de deken en waarbij niet is gewaarborgd dat de taken en bevoegdheden die de deken als wettelijk aangewezen toezichthouder moet uitoefenen binnen zijn invloedssfeer blijven. Daarbij komt dat in ieder geval de grondslag voor de overdracht van de zaak in dit geval ook zodanig onduidelijk en gebrekkig is geweest, dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.”
Het Hof is onverbiddelijk: geen schorsing en ook geen andere sanctie: het dekenbezwaar van de deken Limburg wordt niet-ontvankelijk verklaard.
We kunnen ons de opluchting van de beklaagde advocaat goed voorstellen. Toch vinden we het ook jammer dat inhoudelijk geen oordeel is geveld. Dat was pas echt interessant geweest!
