Wie begint de witwaszaak?

Het zwaartepunt van de witwasbestrijding verschuift steeds verder naar de poortwachter. Banken, accountants en andere meldingsplichtige instellingen fungeren steeds vaker als eerste filter − het voorportaal waar wordt bepaald welke signalen het strafrecht bereiken. De vraag is of dat het systeem daadwerkelijk effectiever maakt.

Delen:

beeld: Depositphotos

Met het Europese anti-witwaspakket uit 2024 wordt een ontwikkeling bevestigd die al langer gaande is. Terwijl het nieuwe Europese kader de komende jaren verder wordt uitgewerkt en van toepassing wordt, wordt die verschuiving in de praktijk nu al zichtbaar. Het merendeel van de nieuwe regels wordt pas vanaf 2027 van toepassing, maar de voorbereiding daarop is inmiddels in volle gang.

Met dit pakket heeft de Europese Unie een ingrijpende stap gezet. Voor het eerst wordt een groot deel van de anti-witwasregels rechtstreeks geharmoniseerd via een verordening, gecombineerd met een nieuwe Europese toezichthouder (AMLA) en een aangescherpt kader voor nationale handhaving. Dat werkt nu al door in de praktijk. Organisaties bereiden zich voor op strengere en uniformere eisen, scherpen hun cliëntenonderzoek aan en leggen meer nadruk op documentatie en onderbouwing van keuzes. In twijfelgevallen wordt eerder gekozen voor melden.

Het cliëntenonderzoek wordt verder gestandaardiseerd en de ruimte voor uiteenlopende interpretaties neemt af. Dat betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat minder snel kan worden volstaan met aannames over de herkomst van vermogen, en dat vaker actief moet worden doorgevraagd en gedocumenteerd hoe een transactie of structuur wordt verklaard.

Waar opsporingsdiensten formeel besluiten tot het starten van een onderzoek, ligt de feitelijke aanleiding daarvoor in de praktijk vaak bij meldingen van poortwachters. Banken vervullen die rol al jaren zichtbaar als eerste filter: zij signaleren, melden en zetten daarmee − al dan niet onbewust − de eerste stap richting opsporing. Het nieuwe Europese kader bouwt daarop voort en maakt die rol voor alle poortwachters nadrukkelijker, uniformer en indringender. Op papier is dat toezicht, in de praktijk vormt het steeds vaker de eerste schakel in de handhavingsketen.

Met de verdere harmonisatie en aanscherping van regels neemt ook het aantal momenten toe waarop een beoordeling moet worden gemaakt. Wanneer is een transactie nog verklaarbaar, en wanneer niet? Wanneer is sprake van een ongebruikelijke transactie die moet worden gemeld? En hoe ver strekt de verplichting om door te vragen?

Meer regels leiden tot meer afwegingsmomenten. Meer afwegingsmomenten leiden tot meer twijfel. Meer twijfel leidt tot meer meldingen. De vraag is wat dat betekent voor de effectiviteit van het systeem.

Meer meldingen leveren meer informatie op, maar ook meer ruis. In een groeiende stroom van signalen wordt het lastiger om die meldingen te onderscheiden die daadwerkelijk opsporingswaarde hebben. Daarmee verschuift de focus al snel van het opsporen van witwassen naar het afdekken van compliancerisico’s.

Het gevolg is een systeem waarin voorzichtigheid de boventoon voert. Liever één melding te veel dan één te weinig. Dat is vanuit compliance-oogpunt logisch, maar het heeft wel degelijk consequenties. Niet alleen voor de hoeveelheid meldingen, maar ook voor de rol die poortwachters feitelijk spelen in het ontstaan van strafzaken.

Dat schuurt. Niet omdat poortwachters hun werk niet goed doen, maar omdat de aard van hun rol verschuift. Wat begint als een beoordeling van een cliënt of een transactie kan − zonder dat dat het primaire doel is − uitmonden in een strafrechtelijk traject met verstrekkende gevolgen voor alle betrokkenen. De afstand tussen toezicht en strafrecht wordt daarmee kleiner.

Opsporing begint formeel met een beslissing van het Openbaar Ministerie om een onderzoek te starten, vaak naar aanleiding van een door de Financial Intelligence Unit geanalyseerde melding. In de praktijk ligt aan die beslissing echter regelmatig een beoordeling door een poortwachter ten grondslag.
En juist daar ligt het echte beginpunt: niet bij opsporingsdiensten, maar bij de beoordeling van een transactie, een cliënt of een dossier − en de vraag of die moet worden gemeld.

En misschien ligt daarin de kernvraag voor de komende jaren: of een systeem dat steeds meer draait op meldingen beter in staat is om witwassen te bestrijden − of vooral beter wordt in het organiseren van twijfel en het afdekken van risico’s, zonder dat daarmee meer witwassen wordt opgespoord. 

Wilt u vanaf nu elke maand een samenvatting van alle snelrechtartikelen van Mr.-Online in uw mailbox? Klik hier

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven