Mocht Joe Biden komende november tot 46ste president van de VS verkozen worden, dan treedt hij eveneens toe tot een illuster genootschap: hij is dan de 27ste Amerikaanse president die zichzelf ook ‘lawyer’ mag noemen.
Goed nieuws voor onze ambitieuze Amerikaanse medestudent, die jarenlang zwoegt op een hard verdiende (of misschien wel afgekochte) plek in de law school van een prestigieuze Ivy League universiteit. Echter moet een presidentskandidaat wel meer in petto hebben dan een hoog aangeschreven rechtenstudie om kans te maken. Anders dan in de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen spelen leeftijd, sociaaleconomische achtergrond en geld een bijzonder grote rol.
Alhoewel sommige (relatief) jonge kandidaten het goed doen in de voorverkiezingen blijken het toch vaak de oudjes – of veteranen, het is maar net hoe je ernaar kijkt – die het oval office bereiken. De huidige verkiezingen kennen uitzonderlijk oude kandidaten: Sanders (78), Biden (77) en Trump (73). De consensus onder de Amerikaanse kiezers lijkt te zijn dat grijze haren ervaring bewijzen; in hun lange jaren hebben de kandidaten flinke track records opgebouwd als politici, burgemeesters, militairen of zakenmannen en -vrouwen. Toch heeft senioriteit een keerzijde, veel jonge stemgerechtigden laten het namelijk afweten en dat is niet op de minste plaats door een gapende generatiekloof.
Om het raakvlak met groepen kiezers te vergroten troeven de kandidaten elkaar af met hun afkomst, iedereen wil gezien worden als een winnaar en toch benaderbaar blijven. Er wordt ook niet geschroomd om heritage in de strijd te gooien. Zo pronkte Elizabeth Warren dat zij deels van de Cherokee-tribe afstamt – een twijfelachtige claim die haar reputatie veel schade aanrichtte en waardoor ze bovendien de bijnaam ‘pocahontas’ door Trump toebedeeld kreeg. Het blijkt uiteindelijk wel van groot belang om een persoonlijke verbintenis, al dan niet fictief, met kiezersgroepen op te bouwen. De presidentsverkiezingen worden namelijk ook grotendeels bepaald door groeiende groepen stemmers als Latino’s en Afro-Amerikanen, die vaak geen ‘eigen’ kandidaat in de race hebben.
Ten slotte moeten de kandidaten legers campagneteams van analisten en PR-strategisten betalen, reclameblokken bij belangrijke sportwedstrijden opkopen, om nog niet te spreken over alle merch die ze weggeven. De kosten van alle kandidaten in de verkiezingen van 2016 worden geschat op een waanzinnige $2.6 miljard, en dan te bedenken dat het grootste deel van het geld is uitgegeven aan vruchteloze campagnes.
Al met al dus groot, groter, grootst, alles in de extremen. Onze Nederlandse verkiezingsstrijden steken bleek af tegen het bellum Romanum van de Amerikanen. Misschien maar goed ook.
