Rechtswetenschap of rechtsgeleerdheid?

Is het recht een wetenschap of een geleerdheid? Deze oude vraag steekt weer de kop op. Harald Merckelbach, hoogleraar psychologie aan de Universiteit Maastricht, vindt dat het recht, in het bijzonder het strafrecht (met zoveel woorden), een geleerdheid is. Tevens is dat volgens hem maar goed ook.

In zijn column ‘De juristen een lesje leren’ neemt Merckelbach in de NRC van 19 en 20 oktober 2019 duidelijk positie in tegen filosoof Ton Derkson. Merckelbach stelt: “Ik geloof niet in de empirische wetenschap als rolmodel voor het strafrecht.” Volgens Meckerbach bestaan er, ondanks kritische geluiden, wezenlijke en gefundeerde verschillen tussen empirische wetenschap en het (straf)recht.

Ten eerste kaart Merckelbach het verschil in functie en aard der waarheidsvinding aan. In de wetenschap is deze gebaseerd op een onbeperkte nieuwsgierigheidszin en is daarom zeer ruim. In de rechtspraak is waarheidsvinding veel beperkter. Deze is namelijk begrensd door wat in de rechtszaal naar voren wordt gebracht of geschiedt. Merckelbach herinnert eraan dat in het strafrecht slechts het ten laste gelegde feit onderwerp is van waarheidsvinding.

Aan voorgaand argument kan worden toegevoegd dat ook voor andere deelgebieden van het recht een enge definitie van waarheidsvinding geldt. In het civiel procesrecht bijvoorbeeld, beperkt de rechter zich tot de ‘formele’ waarheid. Deze bestaat ex art. 149 Rv uit door partijen aangedragen en vaststaande feiten en feiten die niet of onvoldoende door de wederpartij zijn betwist.

Verder is het tijdsbestek waarin wetenschappers en rechters functioneren verschillend. Wetenschappers hebben alle tijd om tot hun conclusies te komen; rechters, daarentegen dienen binnen een redelijke termijn met een oordeel te komen.

Tevens wijst hij erop dat wetenschappelijke conclusies zich meer nuances kunnen veroorloven. Strafzaken zijn naar hun aard gebonden aan veel beperktere opties, namelijk (essentieel): schuldigbevinding of vrijspraak.

Voorts schuurt wetenschappelijke praktijk ook aan tegen allerlei algemene rechtsbeginselen. Wetenschappers hebben bijvoorbeeld, volgens Merckelbach, de neiging om oude theorieën aan te hangen en deze steeds weer nieuw leven proberen in te blazen. Toegepast op de rechtspraak is dit natuurlijk in strijd met het ne bis in idem beginsel, de kracht van gewijsde en verjaringstermijnen.

Concluderend stelt Merckelbach dat wetenschappers, qua transparantie, ook weleens wat mogen leren van de rechtspraktijk. In de rechtszaal geschiedt getuigenverhoor namelijk publiekelijk en zonder anonimiteit, terwijl peer reviewers, in beginsel, anoniem blijven. Komt dit gebrek aan openheid waarheidsvinding ten goede, vraagt Merckelbach zich af?

Het moge duidelijk zijn dat, ofschoon rechtspraak en (rechts)wetenschap in de waarheid dezelfde heer en meester hebben, ze, op grond van hun fundamenteel andere taken, wezenlijke verschillen vertonen.

Het komt mij voor, dat Merckelbach ‘strafrecht’ verwart met ‘rechtspraak’. In de rechtswetenschap is een brede verkenning van het recht geboden. Hier kan én moet ook de (deductieve) wetenschappelijke methode in min of meerdere mate als leidraad voor juristen dienen. Rechtspraak, en dit is eigenlijk waar Merkelbach op doelt, is oplossingsgerichte (beperkte) toepassing van het recht op concrete casus!

 

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven