De procedure (Kuijt vs. The Netherlands, 19365/19) diende onlangs bij het EHRM, zo’n zes jaar nadat het Hof het verzoek tot behandeling ervan accepteerde. De Amsterdamse strafrechtadvocaat Willem Jebbink (Jebbink Soeteman Advocaten) bepleitte voor de Grote Kamer, samen met oud-hoogleraar Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira, dat de werkwijze die de Hoge Raad erop nahoudt staatsrechtelijk niet door de beugel kan. Alleen raadsheren die formeel aan een zaak zijn toegewezen, zo redeneren zij, zouden ook inhoudelijk mogen meepraten over die zaak.
Mee-beraadslagen
Dat de Hoge Raad daar anders over denkt, is al zeker tien jaar lang onderwerp van debat onder juristen. Het zogeheten ‘mee-beraadslagen’ wordt door de Hoge Raad als iets wenselijks gezien: dat raadsheren die niet formeel aan een zaak zijn toegewezen, wel kunnen meespreken over de afwikkeling van een zaak, zou de rechtseenheid ten goede komen. De raadsheren die mee-beraadslagen worden dan ‘reservisten’ genoemd. De Hoge Raad past dit principe inmiddels al minimaal zestig jaar toe. Als het aan Jebbink en d’Oliveira ligt, komt er dus echter spoedig een einde aan.
Aangifte en wraking
De kritiek van Jebbink en d’Oliveira op de inzet van ‘reservisten’ bij de Hoge Raad is niet van vandaag op gisteren ontstaan. Al in 2017 deed d’Oliveira aangifte tegen elf raadsheren van de Hoge Raad wegens een ambtsmisdrijf: het mee-beraadslagen zou neerkomen op een schending van het beroepsgeheim, redeneerde de voormalig hoogleraar. Die aangifte leverde uiteindelijk echter slechts een sepot op. d’Oliveira werkte zijn kritiek op het mee-beraadslagen destijds uit in het boek Een boekje open over de Hoge Raad en zijn ‘reservisten’, waarin hij de werkwijze als “rechtsstatelijk onacceptabel” bestempelde.
Een jaar later, in 2018, was de inzet van ‘reservisten’ bij de Hoge Raad voor Jebbink reden om een wrakingsverzoek in te dienen tegen de elf raadsheren. Jebbink deed dat in de zaak-Kuijt, die nu, jaren later, ook de aanleiding vormt voor de procedure bij het Europese Hof. In reactie op het wrakingsverzoek uit 2018 noemde Maarten Feteris, toenmalig president van de Hoge Raad, de werkwijze “belangrijk voor de eenheid van het recht”. Jebbinks wrakingsverzoek leverde, net als eerder de aangifte door d’Oliveira, niets op.
Uitspraak
Jebbink en d’Oliveira lieten het er ondertussen echter niet bij zitten, en dienden kort na het mislukte wrakingsverzoek van Jebbink een verzoek in bij het EHRM om zich over de zaak te buigen. Dat verzoek werd al in 2020 gehonoreerd, maar het zou dus vervolgens nog zes jaar duren voordat de inhoudelijke behandeling doorgang zou vinden.
Onlangs mocht Jebbink dan toch uiteindelijk komen pleiten bij de Grote Kamer. Daarbij was tevens een “grote delegatie” van de Hoge Raad aanwezig, waaronder president Dineke de Groot, zo vertelt Jebbink zelf in een post op LinkedIn. Wanneer het Hof uitspraak doet, is nog niet bekend.
