Dutch Business Lawyers Abroad

De zoektochten van de Nederlandse belastingdienst in het land van de goede trouw

“Op God vertrouwen wij, alle anderen moeten gegevens overleggen” (Dr. W. Edwards Deming, 1900-1993)

Het is alweer een tijdje geleden dat in Nederland de kranten vol stonden van de groepsverzoeken van de Nederlandse belastingdienst met betrekking tot rekeningen in het buitenland, waaronder vooral Zwitserland. Na rechtshulpverzoeken met betrekking tot rekeningen bij de UBS kregen ook andere banken zoals de Credit Suisse en BNP het genoegen. Daarnaast zijn er in Zwitserland verzoeken geweest op grond van het zogenaamde ‘project Debit en Creditcards’, of er waren individuele verzoeken.

Het Verdrag tussen Nederland en Zwitserland tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (‘verdrag’) is duidelijk: er mag pas om uitwisseling van inlichtingen worden verzocht nadat de verzoekende verdragsluitende staat alle beschikbare middelen heeft aangewend om inlichtingen te verkrijgen die beschikbaar zijn volgens de nationale belastingprocedure. Pas als aan dit zogenaamde uitputtingsbeginsel is voldaan mag een verzoek voor levering van informatie worden gedaan.

De beschikbare middelen in Nederland om inlichtingen te krijgen is met name de informatiebeschikking volgens art. 52a AWR. Als de belanghebbende weigert de stukken te verstrekken en/of inlichtingen weigert, kan de inspecteur een zogenaamde informatiebeschikking geven. Deze informatiebeschikking is weer vatbaar voor bezwaar en beroep.

In verband met het verdrag zegt de belastingdienst dat met de landen waarmee Nederland verdragen over gegevensuitwisseling heeft gesloten eerst de mogelijkheden in Nederland uitgeput moeten zijn voordat men de bevoegde autoriteit in Almelo vragen mag gegevens uit te wisselen.

In de praktijk schijnen de procedures in Nederland echter langdurig zijn. Te langdurig voor de belastingdienst, denk ik. Ik denk dat de belastingdienst het proces daarom korter probeert te maken.

Het toverwoord dat de belastingdienst over zijn misére heen kan helpen: vertrouwen, respectief, het vertrouwensbeginsel.

De interstatelijke samenwerking berust op vertrouwen. Zonder een minimum aan wederzijds vertrouwen is samenwerking tussen staten niet mogelijk. Het vertrouwensbeginsel werkt daarom op  terughoudendheid bij toetsing van een rechtshulpverzoek.

Als de Nederlandse belastingdienst dan beweert dat alle nationale mogelijkheden om de informatie te verkrijgen benut zijn, gaat de Zwitserse belastingdienst op grond van dit beginsel te goeder trouw ervan uit dat dit dan ook zo is. De Nederlandse belastingdienst hoeft geen gegevens te overleggen voor zijn beweringen. Een nadere uitleg over het uitputtingsbeginsel is dan ook niet nodig. Het resultaat is een lakse omgang met dit criterium. Zinnen als “hebben informatie gevraagd, geen antwoord gekregen” zijn voldoende voor de belastingdienst als uitleg dat aan het uitputtingsbeginsel is voldaan. Dit is in feite al problematisch.

Dit principe wordt echter vooral dan problematisch als nog tijdens een lopende procedure in Nederland – dus (naar mijn mening) nog ver voordat men onder het verdrag überhaupt een verzoek mag stellen –  toch (naar mijn mening tegen beter weten in) verzoeken om rechtshulp worden ingediend.

Deze omgang met het vertouwensprincipe is niet gewenst. Er bestaat daardoor het gevaar dat lopende Nederlandse procedures op basis van het vertrouwensprincipe pakweg omzeild worden. De rechtsbescherming die de wetgever met de invoering van de informatiebeschikking heeft willen bieden wordt zo illusorisch – deze blijft ‘toter Buchstabe’. Wat als de informatiebschikking door de rechter wordt vernietigd maar de belastingdienst in de tussentijd toch informatie krijgt?

Er zijn grenzen aan de verplichting rechtshulp te verlenen. Aan informatieverzoeken wordt met name niet tegemoetgekomen als dat in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het is primair aan de Zwitserse rechtbank te beslissen of dergelijke verzoeken van de belastingdienst in strijd zijn met het verdrag of niet. Geheel naar het motto von Edwards Deming mag de belastingdienst dan wel erg machtig zijn, goddelijk is het zeker niet. De belastingdienst moet voor zijn beweringen gewoon de bewijzen overleggen dat het netjes eerst alle beschikbare middelen heeft gebruikt.

Wilt u geen belangrijk juridisch nieuws meer missen?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Over de auteur

Thomas Verschuuren Kopfstein

Thomas Verschuuren Kopfstein

Thomas Verschuuren Kopfstein is advocaat en Partner bij het Kantoor Klein Advocaten in Zürich en lid van Dutch Business Lawyers Abroad.

Recente vacatures

Recente vacatures

Druk hier – TravelEssence (Rectangle)