Het EVRM is onder fiscalisten de laatste jaren een hot topic. Sinds de Hoge Raad de fictieve belastingheffing van box 3 – tot tweemaal toe – in strijd heeft verklaard met het eigendomsgrondrecht (art. 1 EP EVRM), vragen fiscalisten zich nadrukkelijk(er) af of een belastingregeling in strijd is met het EVRM.
Bij mogelijke schendingen van het EVRM gaat het doorgaans om belastingregelingen die uitgaan van ficties en forfaits en die het dus niet zo nauw nemen met de economische en/of civiel-juridische werkelijkheid. Vanuit dat perspectief liggen regelingen onder het vergrootglas, of – meer polemisch – onder vuur, zoals de ‘villataks’, de regeling tegen excessief lenen bij de eigen vennootschap en de belastingrenteregeling.
Onlangs ging het in de rechtspraak om een – voor het grote publiek – minder bekende regeling, te weten: het regime voor afgezonderde particuliere vermogen (‘APV-regime’). Het is een regeling die tot gevolg heeft dat vermogen dat is ondergebracht in discretionaire rechtsvormen (‘particuliere doelvermogens’), zoals een trust of stichting, wordt toegerekend aan degene die dat vermogen heeft afgezonderd (‘inbrenger’). Op deze wijze beoogt de wetgever misbruik te bestrijden en aldus te voorkomen dat vermogen buiten de belastingheffing blijft. Op zichzelf is die doelstelling te respecteren.
Maar wat als de inbrenger lang geleden is overleden? In dat geval wordt het vermogen toegerekend aan (de erfgenamen van) de erfgenamen van de inbrenger. En wat als de inbrenger geen afstammelingen heeft? Dan wordt het vermogen toegerekend aan ‘fictieve’ erfgenamen. En wat als misbruik helemaal geen rol heeft gespeeld bij het oprichten van de stichting? Ook dan wordt het vermogen toegerekend, omdat de aanwezigheid van misbruik geen toepassingsvoorwaarde is voor het APV-regime (art. 2.14a Wet IB 2001).
Het resultaat kan zijn dat een ver familielid, ruim honderd jaar later, wordt belast voor het inkomen uit een aanzienlijk vermogen, terwijl dat verre familielid geen enkele beschikkingsmacht daarover heeft en – om het nog erger te maken – misschien wel nooit (substantiële) uitkeringen zal ontvangen. Dit overkwam de belastingplichtige in een recent arrest. Anders dan gerechtshof Amsterdam zag de Hoge Raad in het APV-regime na het overlijden van de inbrenger geen schending van het EVRM op stelselniveau. Wellicht kan in een specifiek geval sprake zijn van een individuele en buitensporige last, overweegt de Hoge Raad, maar dat was niet gesteld.
Ik vind het een teleurstellend oordeel. Natuurlijk moeten de belangen van de staatskas worden bewaakt, maar waar geen misbruik is, is het bestrijden daarvan – zeker op deze wijze – disproportioneel. Het valt niet uit te leggen dat de Hoge Raad geen bescherming biedt als een belastingplichtige voor vele (honderd)duizenden euro’s belastingaanslagen ontvangt voor vermogen dat niet van hem is (en wellicht nooit zal worden), terwijl bij de box 3-belastingplichtige – vanaf de allereerste euro waarin het fictieve rendement het werkelijke rendement overstijgt – een schending van het EVRM wordt aangenomen.
