Eigenlijk had uw schrijver al voor thuiskomst uit Paramaribo moeten berichten. De fatale termijn voor deze bijdrage dreigde weer eens te verstrijken maar ja, ter plaatse was zo veel aangenaams dat het er niet van kwam. Wandelen door de klam-warme stad, stilte in de prachtig gerestaureerde houten kathedraal – naar verluidt de grootste houten kerk ter wereld – de markt aan de Waterkant met zo veel inlandse producten, zeer koude Parbo’s en caipirinhas na afloop. En het voedsel, zo heerlijk verschillend per bevolkingsgroep en bijbehorende eethuizen overal in de stad. En dat alles vanuit de af en toe sjofele jaren zestig sjiek van hotel Torarica, mét zwembad en terras aan de grootse rivier. Hoe plezant, al deze ontspanning. Hoe vochtig heet en nat soms ook.
Wat uw columnist daar deed? Weer eens les geven aan de ADEK, de Anton de Kom Universiteit. Te midden van zo veel verkruimelende gebouwen van hout, steen, politiek, bestuur, rechtspraak, zorg en nog veel meer viel op hoe goed de studenten waren. Voor Nederlandse soortgenoten in de rechten doen zij niet onder. Al hadden zij het druk, want een heel vak moest worden gegeven binnen twee weken. Dat betekende elke middag les, van maandag tot en met donderdag. Bovendien werkten bijna alle studenten er ook nog bij. Anders zouden zij de 1500 US dollars collegegeld niet kunnen betalen. Toch houden zij vol, ondanks niet al te rooskleurige professionele vooruitzichten.
Waarom weer terug, na minder gunstige ervaringen ter plaatse? Enerzijds werd en wordt inbreng van buiten gretig verwelkomd. Eerdere samenwerking met mensen ter plaatse leidde tot prachtige plannen en projecten, van hele vakken en studieprogramma’s tot en met hervorming van de rechterlijke macht. Maar weinig beklijfde, bleek telkenmale na terugkeer in de West. Alles bleef zo’n beetje bij het oude. Dan maar liever thuisgebleven, ter voorkoming van verdere teleurstelling?
Toch weer ter plaatse was dan ook het stellige voornemen alleen nog les te geven en de rest te laten voor wat die was en is. Maar de studenten waren bepaald niet slechter dan voorheen. Hoe kan dat, als niets werd gedaan aan de opleiding? Die verschilt in weinig van de Nederlandse erfenis uit 1975, het jaar van de onafhankelijkheid. De leslokalen stonden er toen ook al. Met echte schoolborden en meubilair uit dezelfde jaren zestig als het hotel aan de rivier. Modernere leer- en hulpmiddelen als interactieve internetsites, bijbehorende onderwijsdirecteuren en erger waren er dan weer niet.
Wat een verademing. Zo vaak wordt geprobeerd “het beste van Nederland” naar Suriname te brengen. Dit doet juist denken dat Surinaamse rust naar Nederland moet worden geëxporteerd. Handhaaf exameneisen en blijf verder af van academische opleidingen. Dat leidt tot goede juristen en andere academici. Of is deze samenhang slechts schijn, in drogredelijke gelijkstelling van toevallige samenloop en oorzakelijk verband?
Toch valt op dat de ADEK verhoudingsgewijs meer geld aan onderwijs besteedt dan Nederlandse universiteiten. Als bekend vermorsen die zo’n beetje de helft van hun geld aan administratie, organisatie en reorganisatie, met bijbehorende managers, topbestuurders, nieuwbouw en erger. Dat houdt vooral zichzelf aan de gang. Voor zover er iets van naar buiten komt, hebben onderwijzers en onderzoekers er vooral last van. Intussen blijft de hoofdzaak van de universiteit: wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Hoe minder geld wordt opgestookt aan franje en andere ijdelheid, des te meer middelen blijven over voor de academie zelf. Die wordt daarvan niet slechter. Dit is geen drogredenering.
Zo heeft zelfs uw columnist weer wat geleerd, al moest deze eigenlijk al bekende wijsheid niet helemaal uit Suriname komen. En is zij niet beperkt tot universiteiten. Ook elders blijken aloude instituties redelijk bestand tegen uitholling van binnenuit. Overal is teveel bestuur om het besturen, vernieuwing om de vernieuwing, ten laste van instituties die hun werking en wijsheid historisch hebben bewezen. Bijvoorbeeld: wat voegt de Raad voor de Rechtspraak werkelijk toe? Afgezien van nog meer pluche naast de zaak zelf, met bijbehorende staven en huisvesting? Wordt al dat geld niet beter besteed aan daadwerkelijke rechtshulp en rechtsverwerkelijking voor minderbedeelden?
Anderzijds blijken dergelijke bestuurlijke bij- en uitgroeisels inderdaad niet alle kwaad tegelijk te kunnen. Kerninstituties van wetgeving, bestuur, rechtspraak, onderwijs en zorg weten deze en andere corruptie redelijk te overleven.
Die andere corruptie is zichtbaarder in Suriname. Wie aan de macht is, betaalt geen belasting en geniet ook andere voordelen uit overheids- en ander middelen, hoe weinig rechtmatig ook. Wie in de oppositie zit, rijdt niet (langer) in grote auto’s en loopt meer kans om ook echte verworvenheden onverdiend kwijt te raken. Banen en baantjes zijn bestemd voor mensen die het meer moeten hebben van hun connecties dan van hun kwaliteiten. Straf is er alleen voor stakkers zonder barmhartige naasten in het ambtelijk apparaat. Het lijkt de negatieve dialectiek van armoede dragelijk gemaakt door gerommel in de marge, grijs en zwart geld-, goederen- en gunstenverkeer dat rijkere tijden moeiteloos overleeft en zo voorkomt dat het ooit echt goed gaat.
En toch bestaat Suriname nog. Mede dankzij die rechtenstudenten en anderen die hun opleiding inzetten binnen en met behulp van ’s lands instituties. Later worden zij rechter, of advocaat, medisch specialist of accountant en nog veel meer. Zo houden die instituties mensen in stand, en mensen die instituties. Ondanks alle bestuurlijke bij- en uitgroeisels – waarvan Suriname minder heeft dan Nederland – en alle andere corruptie en criminaliteit – waarvoor het omgekeerde zou kunnen gelden.
Eigenlijk is dat niet bekend. Corruptie en criminaliteit zijn gebaat bij gebrekkige opsporingsapparaten en ook daarvan zou Suriname meer last kunnen hebben dan Nederland. Toch is zelfs dat niet echt bekend. Hoeveel corrupte en criminele rechters telt Nederland? Hoe hard wordt achter hen aangezeten? Zo kwam een deel van de magistratelijke misdaad rond Chipshol stomtoevallig aan het licht – omdat een hoofdrolspeler zo dom was geweest het aan te leggen met een gerechtelijk secretaresse die anders dan zoveel anderen de moed had haar mond open te doen. Wat er nog meer is – en er is meer – zal nooit aan het licht komen. Misschien is Nederland gewoon beter dan Suriname, in zwijgcultuur en andere verhulling van ambtelijke en andere corruptie en criminaliteit.
Gaat het om de top van een ijsberg, of eigenlijk ijsbergen van misdaad? Hoeveel exploitatie ten eigen nutte kunnen de politieke, bestuurlijke en magistratelijke instituties van Suriname verdragen? Verkruimeling en verval is al te zichtbaar en toch blijft het land bestaan. Net als Nederland. Mede dankzij goed onderwijs aan al die eerlijke en bekwame mensen die in bescheiden verborgenheid hun eigen institutionele rollen blijven spelen. Daarom blijft uw schrijver les geven. In Suriname én in Nederland.
