De onmenselijke kant van het opzetbegrip

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email
Foto: Depositphotos

Ons strafrecht gaat uit van de vrije, bewuste en volwaardige wil van rechtssubjecten. Het opzet is echter gedurende de jaren steeds meer verworden tot een normatief uitgangspunt waarmee het zijn werkelijke aard dreigt te verloochenen. Met name gelet op de marginale door de Hoge Raad geformuleerde ‘uitzondering’.

Het opzet (onder meer in de zin van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans) is volgens de Hoge Raad slechts dan niet aan de orde indien bij de verdachte ‘zou blijken van een zodanige ernstige geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en in de mogelijke gevolgen is verstoken’ (o.m. HR 22 juli 1963, ECLI:NL:HR:1963:AB5623, NJ 1986/217 m.nt. Enschedé).

In feitelijke aanleg worden opzetverweren (dat er geen sprake is van opzet door een stoornis)  ‘wel eens’ gehonoreerd bij acute dissociatie, hetgeen neerkomt op een gestoord realiteitsbesef (zie L. Stevens en M.M. Prinsen, Afwezigheid van opzet bij de geestelijk gestoorde verdachte, Expertise en recht 2009, p. 113-118). Het ‘wel eens’ honoreren van dergelijke verweren geeft wat mij betreft al aan dat het opzetbegrip té weinig psychische diepgang heeft.

Gelet op het beginsel van straf naar de mate van schuld, ligt het volgens velen niet voor de hand om gestoorden en minder ontwikkelden (volledig) verantwoordelijk te houden voor hun gedrag (zie o.m. R. ter Haar en C.J.J. Kwint, ‘De subjectieve bestanddelen opzet en culpa: een bespreking van lastige kwesties’, TPWS 2016/39).  Het (volutieve) aanvaardingsaspect van het voorwaardelijke opzet kan niet los worden gezien van het (cognitieve) wetensaspect. Die twee aspecten hebben in de jurisprudentie een meer normatievere betekenis gekregen, waarbij men uitgaat van een normaal mens. Dat normatieve kent slechts de strenge uitzondering van de Hoge Raad, waaraan niet snel voldaan wordt.

Groenhuijsen verwoordde treffend: ‘Wat we thans eufemistisch het objectiveren van opzet en culpa noemen, heeft in feite tot gevolg dat we iemand strafrechtelijk verantwoordelijk stellen terwijl we daarvoor vereiste persoonlijke schuld wellicht ontbreekt’ (M.S. Groenhuijsen, Schuld en boete; een beschouwing over strafrechtelijke verantwoordelijkheid, in: verantwoordelijkheid: retoriek en realiteit, Zwolle 1989, p. 47 en 54).

Het strenge inzichtscriterium van de Hoge Raad had als vermoedelijke reden dat het de rechter bij vrijspraak niet meer vrijstond TBS op te leggen noch een plaatsing in het psychiatrisch ziekenhuis te bevelen (Zie G. Knigge, Strafuitsluitingsgronden en de structuur van het strafbare feit, Den Haag 1993, p. 21). Die reden is naar mijn mening inmiddels (deels) ontvallen gelet op de mogelijkheid die art. 37 Sr thans biedt dat de rechter zelfs bij vrijspraak een zorgmachtiging kan afgeven (H.J.C. van Marle, P.A.M. Mevis en M.J.F. van der Wolf, Gedragskundige rapportage in het strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 21). De zorgmachtiging is immers in de plaats van het psychiatrisch ziekenhuis gekomen.

Wat mij betreft is het meer passend psychische betekenis toe te kennen aan het opzet, en in het voorwaardelijke opzet aan het bestanddeel ‘bewust’ (zo ook H.J.C. van Marle, P.A.M. Mevis en M.J.F. van der Wolf, Gedragskundige rapportage in het strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 26-29). Niet kan worden gezegd dat een verdachte die handelt onder invloed van de waanstoornis bewust een aanmerkelijke kans kan aanvaarden.

Het mooie aan het strafrecht is dat het wetenschap is. Het strafrecht blijft zich steeds ontwikkelen. Dat stelt mij dan ook gerust. Onder de strafrechtsgeleerden komen steeds meer geleerden die een menselijk(er) strafrecht een warm hart toedragen (een voorbeeld daarvan is de Stichting Mens en Strafrecht, waarvan ik kerngroeplid ben). Ik sluit dan ook niet uit dat de ‘menselijke beweging’ op een bepaald moment laat inzien dat het strafrecht vooral mensgericht moet blijven. Het gevolg zou daarvan kunnen zijn dat het normatieve opzetbegrip wat menselijker wordt.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Ook interessant:

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten.

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top