U promoveerde in 1989 bij Van Veen, hoogleraar strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Wat bracht u op het idee om een paar decennia later zijn biografie te gaan schrijven?
“Het was al heel lang een droom om een biografie te schrijven. Ik vind dat een geweldig genre: de combinatie van het leven van een persoon met grotere thema’s en verhalen, geschiedenis met verschillende abstractieniveaus en stof voor (zelf)reflectie. Van Veen stond op mijn lijst vanwege zijn gevarieerde leven met strafrecht, journalistiek en sociaaldemocratie, mij aansprekende thema’s. Ik heb lang gedacht dat het feit dat ik hem heb gekend een obstakel was, totdat ik me afvroeg: zou dat nadeel niet ook een voordeel kunnen zijn? Het zou mijn toegang tot materiaal vergemakkelijken, het zou nog spannender worden doordat ik dan ook mijn eigen positie onder ogen zou moeten zien en een reis naar mijn eigen verleden zou gaan maken. In 2021 heb ik een maand vooronderzoek gedaan en was ik direct gegrepen (en had ik weinig angst meer voor mijn naderende pensioen).”
Juristen zullen hem vooral kennen als Th.W. van Veen, een invloedrijk strafrechtgeleerde die veel annotaties schreef. Wat is het belangrijkste dat hij het Nederlandse strafrecht heeft nagelaten?
“Van Veen was geen man van baanbrekende theorieën of complexe vergezichten, hij was vooral gericht op de maatschappelijke werking van het strafrecht en daardoor op de actuele rechtspraktijk. Juist die invalshoek heeft hij nagelaten, het is een vruchtbare en relevante manier van wetenschapsbeoefening. Bij zijn focus op de maatschappelijke werking van het strafrecht had hij bovendien een duidelijk uitgangspunt. Het strafrecht moet daadwerkelijk worden gehandhaafd, vooral ook omdat een goed geordende samenleving de zwakkeren beschermt. Het gaat niet om hard straffen, maar om daadwerkelijk straffen, in het openbaar, mede ten behoeve van het overheidsgezag en daarmee van een goede samenleving. Als handhaving onvoldoende lukt, moeten er bijvoorbeeld minder wetten komen of een minder stroperig en fijnmazig procesrecht.”
Van Veen was aanvankelijk journalist. Hij schopte het tot hoofdredacteur van de sociaal-democratische krant Het Vrije Volk. Waarom besloot hij over te stappen naar de wetenschap, en wat nam hij mee uit de journalistiek?
“Van Veen heeft ruim twintig jaar in de hoofdredactie van Het Vrije Volk gezeten, lange tijd de grootste krant van Nederland en nauw gelieerd aan de Partij van de Arbeid. Dat is naar huidige maatstaven te lang. Hij had moeite met de ontwikkelingen in de jaren zestig. Het was (ruimschoots) op.
Er is voor zijn wetenschappelijk werk vaak gewezen op zijn vlotte pen. Dat is hem overigens ook tegengeworpen, hij zou oppervlakkig zijn. In zijn journalistentijd was hem iets vergelijkbaars overkomen: toen werd hij geprezen om zijn wetenschappelijke diepgang, maar werd hem ook verweten geen echte journalist te zijn. Hij nam naast zijn leesbare stijl meer mee uit zijn journalistieke tijd: hij had geleerd te durven schrijven en opiniëren, op een heel breed terrein, met oog voor het bereik van zijn publicaties.
Als promotor legde hij de nadruk op dat schrijven: ‘gewoon’ produceren, leesbaar schrijven. Veel belangstelling voor probleemstellingen of vrijblijvende besprekingen had hij niet. Dat stelde me toen wel eens teleur, maar uiteindelijk ben ik die nadruk op goede productie erg gaan waarderen.”
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Van Veen opgepakt vanwege activiteiten voor de Sociaaldemocratische Studentenclub. Hij zat bijna een jaar gevangen in het beruchte Oranjehotel in Scheveningen. Heeft dat invloed gehad op zijn ideeën over strafrecht?
“Dat was een periode of een verband waarover hij zich niet uitliet. Ik heb gespeurd, maar iets heel duidelijks heb ik niet gevonden. Het lijkt mij plausibel dat die ervaringen bijdroegen aan zijn visie over handhaving, aan het koesteren van gezag (van een goede, democratische overheid), aan een afschuw van wanorde. Hij heeft overigens geen bezwaren tegen de gevangenisstraf als zodanig aan zijn eigen gevangenschap overgehouden, hij vond het een noodzakelijke sanctie die serieus maar redelijk moest worden tenuitvoergelegd.”
Is uw kijk op Van Veen erg veranderd nadat u uitgebreid in zijn leven en werk bent gedoken?
“Ik had toch maar een oppervlakkig beeld van hem. Hij bleek zijn zwakheden te hebben op menselijk vlak: net als veel mannelijke generatiegenoten ging hij wel erg op in zijn werk en zichzelf. Dat maakte hem voor mij ook menselijker, gewoner. Anderzijds was ik meer dan ik had verwacht onder de indruk van de kwantiteit en kwaliteit van zijn werk. En ik bleef hem inspirerend vinden, bijvoorbeeld in de manier waarop hij vol en met veel zelfdiscipline voor nieuwe uitdagingen ging, in het diepe durfde te springen.”
Had het schrijven van deze biografie raakvlakken met uw eerdere werk als wetenschapper en rechter, of was het iets compleet anders?
“Voor zover het boek strafrechtsgeschiedenis bevat, heeft dat wel iets van wetenschappelijk werk. Maar het was vooral nieuw voor mij: archiefonderzoek, mensen interviewen, persgeschiedenis, tot op zekere hoogte doordringen in iemands leven, toegankelijk en leesbaar schrijven. Ik heb het geweldig gevonden, een prachtig en bijzonder avontuur. In wezen was het ook een mooi afscheid van mijn werkende leven en van het strafrecht.”
Wie of wat is – afgezien van Van Veen – uw bron van inspiratie?
“In de loop van mijn leven ben ik door veel mensen geïnspireerd en daar ben ik hen dankbaar voor. Maar om in dat verband nu een keuze te maken vind ik moeilijk en willekeurig. Laat ik daarom kiezen voor een andere bron: buitenlucht. Dat klinkt misschien stom, maar zeker voor een studeerkamertype als ik was en ben, is het belangrijk om naar buiten te gaan. Het doet me altijd goed, ik word er vrolijk en energiek van. Daarom maak ik elke twee uur op zijn minst een ommetje. Soms krijg ik dan ook nog een goed idee terwijl ik verstrooid rondloop. En vaak trek ik er langer op uit.”
Wat is uw guilty pleasure?
“Voor het slapengaan Rail away kijken en een beetje dromen over reizen met de vage romantiek van stations, eindeloos uit het raam kijken, onbekende steden.”
Wat is niet over u bekend dat wel interessant is?
“De bekentenis hierboven geeft aan dat er verder niets interessants over mij te melden valt!”
Welk boek las u het laatst?
“Tussen heden en morgen van Jenny Erpenbeck: een compacte en complexe roman over een vrouwenleven in Midden-Europa in de twintigste eeuw. Donker, creatief, bijzonder.”
Met welke beroemdheid zou u een gevangeniscel willen delen?
“Hoewel ik liever alleen in een cel zou zitten, zijn er natuurlijk zeker beroemdheden met wie ik graag een tijd zou willen praten. Om er drie te noemen, in alfabetische volgorde: Folkert Jensma (over journalistiek en recht), Rianne Letschert (met een loopbaan van strafrechtswetenschap naar bestuur) en Eefje de Visser (laatst bezochte concert, prachtig).”
Als u het voor het zeggen had, dan…?
“Op mijn leeftijd moet je hier eigenlijk zwijgen, maar vooruit: ik zou van alle kanten proberen de afdoening van strafzaken door de rechter wezenlijk te versnellen. Ik weet hoe complex en moeilijk dat thema is, maar het duurt echt veel te lang en dat is niet goed voor de verdachte, het slachtoffer en de samenleving.”
De biografie is verschenen bij WJS Uitgevers, en wordt op 22 september gepresenteerd bij de Hoge Raad.
