Het is eerder uitputtend verklaard, ook in deze kolommen: hoogstwaarschijnlijk doet de Raad van de Rechtspraak meer kwaad dan goed. Staatsrechtelijk beschouwd behoort die Raad er niet eens te zijn. Onze minister van justitie is verantwoordelijk voor de rechtspleging, onder toezicht van de volksvertegenwoordiging. Met de scheiding der machten staat dat niet op gespannen voet, integendeel.
Toch groeide de Raad goed, gelijk meer semi-publieke organen die aan een gezond staatsapparaat weinig bijdragen. Honderden mensen staan op de loonlijst, nijver werkend aan beleidsnota’s, notulen en nog meer belangrijke stukken en rapporten, alles voor zover werkoverleg en talloze andere vergaderingen zulks toelaten. Intussen groeide het ongenoegen binnen de rechterlijke macht, in ieder geval met des Raads kennelijk niet altijd redelijk en rechtvaardig benoemingsbeleid.
De agenda is duidelijk: schaf die Raad van de Rechtspraak af en zet al dat overbodig personeel voor zover geschikt aan het werk in de echte rechtspleging. Er is nog wel wat te doen. Het bijkomend staatsrechtsherstel is natuurlijk mooi meegenomen.
Vanwaar eigenlijk deze hernieuwde en zonder enige twijfel wederom tot helemaal niets leidende verontwaardiging? Die is te danken aan de rechtsstrijd rond Chipshol en de schier eindeloze strijd van advocaat Smit tegen de alweer in 1994 onrechtmatig telefonerende en daarover ook nog liegende rechter Westenberg.
Smit stelde dat aan de kaak, Westenberg en de Raad hielden vol dat hij loog en niet Westenberg en probeerden dan ook met alle middelen om Smit klein te krijgen. Intussen was Smits goede naam bezoedeld en had zijn toenmalige kantoor hem er uit gezet: met een advocaat die een rechter in een kwaad daglicht stelt valt slecht geld te verdienen. Dacht tenminste zijn toenmalige kantoor.
Smit vocht terug. Het duurde tot 2009 vooraleer een echte rechter Smit gelijk gaf. Pas dit jaar heeft weer een andere rechter in zijn onpeilbare wijsheid aan Smit de ongekende schadevergoeding van wel 10.000 (tien duizend) euro toegekend. Maar Smit houdt vol, en terecht, want zijn goede naam en loopbaan waren of eigenlijk zijn door de affaire lelijk aangetast.
De Raad voor de Rechtspraak heeft inderdaad weinig nagelaten om Westenberg bij te staan in zijn mala fide rechtsstrijd tegen Smit. Het heeft al tonnen gekost, allemaal betaald door diezelfde Raad en dus ten koste van de algemene middelen. Wie de onthutsende details nog eens wil nagaan leze het verslag van Peter Kop, in het NJB van 5 juni jl.
Zijdens Westenberg en de Raad voor de Rechtspraak is de zaak van een totale ijdelheid. Er werd helemaal niet gezocht naar recht en waarheid. Het ging er kennelijk om Westenberg en de (Raad voor de) rechtspraak uit de wind te houden. Dan mag kennelijk alles, incluis rauwelijks of zelfs regelrecht onrechtmatig procederen tegen Smit door een landsadvocaat die niet eens de moeite nam om eerst aan Smit een zijn advocaat te vragen wat er volgens hen aan de hand was.
Eigenlijk was dit allemaal al bekend, al kan het geen kwaad deze officiële kwade trouw nog eens samen te vatten.
Eén hoofdzaak van dit treurspel is eigenlijk nog niet aan de orde geweest. Principieel klopt de Raad voor de Rechtspraak niet, maar eenmaal ingesteld zou toch mogen verwacht dat die Raad beginselen van rechtspraak en eigenlijk rechtsbeginselen in het algemeen met verve uitdraagt. Maar wat schrijft Van Delden, toenmalig raadspresident, in 2006 desgevraagd over Westenberg v. Smit aan de Tweede Kamer?
… In de door U genoemde procedure is het dus niet zo dat de Raad zich stelt achter het standpunt van de betrokken rechter. Het is veeleer zo dat de Raad en het betrokken gerechtsbestuur zélf zich op het standpunt stellen dat het handelen van de advocaat (…) niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak. …
Fundamenteel is het rechts- en maatschappelijk beginsel dat ieders goede trouw moet worden aangenomen tenzij daartegen gezaghebbend bewijs is geleverd. Niemand hoeft de eigen goede trouw te bewijzen, wie die van een ander betwijfelt moet zelf met bewijzen komen. Dit gaat natuurlijk verder dan de strafvorderlijke onschuldpresumptie. Voorzichtigheid in het rechts- en maatschappelijk verkeer is daarmee niet overbodig geworden. Even goed hoort de Raad voor de Rechtspraak een dergelijk beginsel zo hoog mogelijk te houden.
Maar wat doet toenmalig raadspresident Van Delden? Hij had nog geen begin van bewijs van Smits ongelijk over Westenbergs belgedrag, laat staan dat er een rechterlijke uitspraak was van die strekking. Toch veroordeelt hij Smit bij voorbaat, als ware hij de rechter die deze zaak zonder vorm van proces kon beslechten.
Nu was Westenberg (vreemd genoeg nog steeds) rechter toen hij stelde dat Smit loog over de telefoongesprekken. Maar Westenbergs leugens over zijn belgedrag zijn natuurlijk geen vonnissen of arresten waarin feiten gezaghebbend worden vastgesteld (al dan niet tegen de historische waarheid in). Ten gunste van de advocaat kan nog worden opgemerkt dat die tenminste volgens de tuchtregelen op zijn woord moet kunnen worden geloofd. Voor rechters zijn dergelijke bepalingen niet bekend. Omdat vanzelf moet spreken dat rechters de waarheid spreken? Dat valt dus wel mee.
Door zo tegen Smit te ageren deed Van Delden dus alsof Westenberg rechter was in zijn eigen zaak. Door Peter Kop op een aantal andere punten al dan niet betrekkelijk de brief aan de kamer vakkundig aan de schandpaal genageld antwoordde Van Delden (in het NJB van 26 juni jl.) “dat deze brief zeer pertinent is geformuleerd”. Hij neemt dus geen woord terug. Sterker nog, Van Delden doet nog steeds alsof de brief en de opstelling van de Raad voor de Rechtspraak toch wel klopten, tegen beter weten en fatsoen in.
Overigens stond al in 1997 publiekelijk vast dat Westenberg wél met Westenberg had gebeld. De rechter deed er wat langer over om tot dezelfde slotsom te komen (zie verder weer Kop in het NJB).
Anderzijds had Van Delden in de zo even gewraakte passage ook weer niet helemaal ongelijk. Inderdaad is het hele gebeuren uitermate schadelijk voor het functioneren van de rechtspraak. Maar dat is Smit niet te verwijten. Liegende rechters wekken inderdaad geen vertrouwen in de rechterlijke macht. Pogingen om dat tegen beter weten in en kennelijk ten koste van Smit te ontkennen evenmin.
Westenbergs misstap is één ding. Het zal de eerste niet zijn geweest. Ook rechters zijn mensen en zolang de schade er van binnen perken blijft valt er mee te leven. Wezenlijk is en blijft wél dat rechterlijke misstappen nog meer dan andere zo goed mogelijk worden voorkomen en genezen, desnoods door niet deugende rechters uit de magistratuur te zetten en hen zelf voor de kosten op te laten draaien.
Zelfreinigend vermogen is wezenlijk voor de magistratuur en daarmee voor de kwaliteit van de rechtspraak. De zaak van Westenberg en de Raad voor de Rechtspraak tegen Smit is een toonbeeld van het tegendeel. Daarmee overstijgt de affaire het onrecht Smit aangedaan. Als dit de manier is waarop de magistratuur geleid door de Raad in het algemeen omgaat met kwade trouw in eigen kring, dan is er reden tot grote zorg. Rechtspraak rekent mensen af op wat zij verkeerd hebben gedaan en gelaten. Voor rechters zou dat eens te meer moeten gelden. Als eigen waardigheid of wat daarvoor moet doorgaan voorop staat, in plaats van recht en waarheid zonder aanzien des persoons, dan is de rechtspraak zelf in het geding.
De zaak is de wereld nog niet uit, zolang de Raad en de rechterlijke macht niet terugkeren op hun onrechtmatige schreden tegen Smit. De kans dat Van Delden en andere betrokkenen aan Smit alsnog verontschuldigingen aanbieden en aansprakelijkheid aanvaarden lijkt te verwaarlozen.
Ligt hier een taak voor de minister? Wie was ook alweer werkelijk verantwoordelijk voor de rechterlijke macht? Hij zou een einde kunnen maken aan de Raad voor de Rechtspraak en Smit eerherstel met een royale schadevergoeding kunnen bieden. Dat kost nogal wat minder belasting- en ander geld dan het voortbestaan van die Raad en al die vreugdeloze procedures waarin Smit gelijk heeft maar het (nog?) niet krijgt. – Wordt vervolgd.
