Spraakherkenning is de afgelopen jaren sterk verbeterd, maar juridisch Nederlands blijft lastig. Vaktermen, wetsartikelen, Latijn en namen zijn typische struikelblokken. Waar ontstaan die fouten, en hoe beoordeelt u of een tool geschikt is voor uw praktijk?
Wie een alledaags gesprek laat transcriberen, krijgt tegenwoordig vaak een verrassend goed resultaat. Bij een bespreking over een conservatoir beslag of een kort geding ligt dat anders. Niet omdat de techniek tekortschiet, maar omdat juridisch Nederlands afwijkt van de taal waarmee algemene spraakmodellen vooral zijn getraind.
Een spraakmodel kiest het waarschijnlijkste woord
Een spraakmodel kiest bij elk woord de meest waarschijnlijke optie. Wat vaak voorkomt in het trainingsmateriaal, wordt goed herkend. Wat zeldzaam is, wordt sneller vervangen door iets dat erop lijkt en vaker voorkomt. Juridische taal zit vol met zulke zeldzame woorden.
Waar het in de praktijk misgaat
- Vaktermen: begrippen als derdenbeslag, cassatie of verstek komen in alledaagse taal weinig voor en worden eerder verkeerd verstaan.
- Wetsartikelen en afkortingen: een verwijzing als artikel 6:162 BW moet als verwijzing herkenbaar blijven, niet als een losse reeks cijfers.
- Latijn en leenwoorden: uitdrukkingen als prima facie of ex nunc vallen buiten het gewone Nederlands.
- Namen: de namen van partijen en kantoren kent een model niet vooraf.
- Kleine woorden: een weggevallen “niet” of “geen” keert de betekenis van een zin om.
Daar komt de regionale variatie bij. Een Vlaamse cliënt spreekt anders dan een Rotterdamse, en ook de terminologie verschilt. Wat in Nederland een toevoeging heet, is in België pro-Deobijstand. Een tool die alleen op standaardtaal uit één land is afgestemd, kan dat missen.
Fouten die niet opvallen
Het lastige is dat zulke fouten niet opvallen. Een transcript leest vlot, ook als er een verkeerd woord staat. Wie niet naleest, neemt de fout mee naar het verslag en uiteindelijk naar het dossier.
Wat een nauwkeurigheidscijfer wel en niet zegt
Aanbieders noemen graag een nauwkeurigheidspercentage. Zo’n cijfer is alleen iets waard als u weet op welk materiaal het is gemeten. Een meting op heldere, algemene spreektaal zegt weinig over een bespreking vol vaktermen, met meerdere sprekers en een matige opname. Dat geldt ook voor onze eigen meting: die is uitgevoerd op algemeen gesproken Nederlands, niet op juridische gesprekken.
Zo test u een tool op uw eigen praktijk
Neem een gesprek dat lijkt op uw dagelijkse werk, met vaktaal, meerdere sprekers en een minder ideale opname. Gebruik materiaal dat u mag delen of een nagespeeld gesprek, zolang u de aanbieder nog niet op privacy heeft getoetst. Beoordeel het resultaat op drie punten.
- Kloppen vaktermen, namen, bedragen en data?
- Blijft duidelijk wie wat heeft gezegd?
- Hoeveel correctiewerk blijft er over voordat het verslag bruikbaar is?
TalkMark is ontwikkeld voor de Nederlandse en Vlaamse juridische praktijk, met aandacht voor juridisch vocabulaire en dialect. Hoe goed dat in uw praktijk werkt, stelt u het best vast met een eigen gesprek. En welke tool u ook kiest, het transcript blijft een concept dat u naleest.

