Wat kan het aansprakelijkheidsrecht nog betekenen als het onrecht een halve eeuw oud is? En is de vraag wie zich het moederschap kan veroorloven werkelijk verleden tijd? In de zesde aflevering van de Claimcast, de maandelijkse podcast over claims en massaclaims, spraken de makers daarover met Sophie van Gool, Anna van Duin en journalist en schrijver Christel Don.
Van Gool is econoom en columnist bij Het Financieele Dagblad, gespecialiseerd in de loonkloof en ongelijkheid op de werkvloer. Ze schreef Waarom vrouwen minder verdienen en Je kind is een goudmijn en is medeoprichter van Salaristijger. Van Duin is programmadirecteur van de master Nederlands privaatrecht en expert op het gebied van historisch onrecht. Ze werkte eerder als advocaat en organiseerde in 2025 aan de Universiteit van Amsterdam het symposium Historisch Onrecht. Don, die tijdens de opname inbelde, schreef het boek Afstandsmoeders, waarin ze tien moeders portretteert. Host en co-auteur van dit artikel Kirsten Maes is advocaat bij VBK, universitair docent en gepromoveerd op het aansprakelijkheidsrecht.
Afgestaan of afgepakt
“Ik voel me niet afgestaan. Ik ben afgepakt.” Het zijn de woorden van een afgestaan kind tegenover de onderzoekscommissie die deze geschiedenis in kaart bracht. Volgens Van Duin vatten ze precies samen waarom de term afstandsmoeder beladen is. “Het woord afstaan suggereert een handeling van de moeder”, zegt ze, terwijl de meerderheid van de vrouwen aangeeft die intentie nooit te hebben gehad. Afstand doen had volgens haar bovendien geen wettelijke basis. De moeders dachten van wel.
Hoe het afstaan in de praktijk verliep, vertelt inbeller Don aan de hand van het verhaal van Irene. Zij raakte op haar zestiende zwanger na een verkrachting. Thuis durfde ze niets te vertellen: haar vader vond dat vrouwen zoiets zelf uitlokten. Toen het toch uitkwam, bracht hij haar naar een vereniging voor ongehuwde moeders. Meerdere keren zei Irene dat ze haar kind wilde houden. Maatschappelijk werkers praatten voortdurend op haar in: ze was te jong, hoe zou ze het betalen? En: geen man wil je meer als je een kind hebt. Haar moeder bood nog aan het kind in het gezin op te nemen, maar haar vader weigerde. Irene noemt het zelf hersenspoelen, vertelt Don: een gevecht tegen volwassenen waarvan de uitkomst vooraf vaststond.
Ze was zeventien toen ze beviel. In de verloskamer werden haar benen in beugels gelegd, werd ze met riempjes vastgebonden en zonder enige aankondiging onder narcose gebracht. Ze werd wakker op de zolder van het ziekenhuis, alleen, met een platte buik. Haar kind heeft ze tot op de dag van vandaag niet gezien. Vier jaar later werd ze opgeroepen om papieren te tekenen, alsof ze nog iets in te brengen had.
De juridische werkelijkheid was anders dan de praktijk, legt Van Duin uit. De adoptiewet van 1956 was mede bedoeld om ongehuwde moeders te beschermen tegen druk van ouders en kerk, met een centrale, beschermende rol voor de Raad voor de Kinderbescherming. Een moeder was juridisch niet verplicht haar kind af te staan. De Raad kon wel ontheffing uit het ouderlijk gezag vragen, via de rechter, waartegen de moeder bezwaar kon maken; na een aantal jaar in een pleeggezin kon dat gezin adoptie aanvragen. In de praktijk werd afstand echter de norm. Moeders tekenden een afstandsverklaring of een akte van berusting, zodat zij geen bezwaar zouden maken tegen de ontheffing en de adoptie. Die verklaring had juridisch eigenlijk geen betekenis: tot de adoptie definitief was, konden zij er nog op terugkomen. “Maar dat wisten ze helemaal niet.” Zij dachten dat het onomkeerbaar was. Een belangrijk verwijt is dan ook dat zij niet de juiste juridische informatie kregen om hun beslissing te nemen en later hun positie in te schatten.
De druk kwam van alle kanten: van huisarts, ouders, tehuizen en kerk en, volgens de verwijten, ook van de Staat via de Raad voor de Kinderbescherming. Een ongehuwde zwangerschap gold als onmaatschappelijk, aldus Van Duin, in dezelfde categorie als alcoholmisbruik en prostitutie. In het rapport van de commissie las Van Gool hoe meisjes na de bevalling zonder baby weer naar huis werden gestuurd, waarna niemand er nog over sprak. Hun eigen moeder zei dan zoiets als dat er niets meer van te zien was en dat de spijkerbroek weer paste.
Het onderzoek naar wat er was gebeurd kwam pas laat op gang. Een verkennend WODC-onderzoek vond in 2017 geen aanwijzingen voor formele dwang, wel voor grote maatschappelijke druk, en dat niemand de moeders had verteld wat hun rechten waren. De commissie onder leiding van Micha de Winter ging in juni 2025, met het rapport ‘Schade door schande’, verder. Zij sprak van gepercipieerde dwang en van een ‘perfect storm’ van moraal, gezag, zwijgen en geld. Het ging niet om de schuldvraag en ook niet om compensatie, maar de aanbevelingen vormen nu de basis voor het hersteltraject buiten het recht om. Belangrijk, aldus Van Duin: ook toen waren er tegenstemmen. Er was geen consensus, het ging om vooroordelen. Het argument dat het nu eenmaal de tijdgeest was, gaat dus niet zomaar op.
Te laat en te verschillend
De zaak begon in 2019 met een aansprakelijkstelling. Bureau Clara Wichmann, namens de afstandsmoeders, en afstandsmoeder Trudy Scheele-Gertsen stelden de Staat aansprakelijk voor het handelen of nalaten van de Raad voor de Kinderbescherming: de ‘spin in het web’ die moeders onjuist zou hebben geïnformeerd of er zelfs actief aan zou hebben bijgedragen dat zij tegen hun wil afstand deden. De inzet was primair erkenning van het leed en rechtsherstel; schadevergoeding zou pas in een vervolgprocedure aan bod komen.
De rechtbank Den Haag wees de vorderingen op 26 januari 2022 inhoudelijk af. De Raad was geen maatschappelijke hulpverleningsinstelling, het informeren van de moeders was niet zijn taak en de druk kwam van de hele omgeving. Het gerechtshof Den Haag kwam op 13 maart 2025 niet toe aan de inhoud. De collectieve actie werd niet-ontvankelijk verklaard: de belangen van duizenden vrouwen in een periode van bijna dertig jaar waren onvoldoende gelijksoortig om te bundelen. De individuele vordering van afstandsmoeder Trudy Scheele-Gertsen was verjaard.
Maes zoomt in op die verjaring. Scheele-Gertsen was 21 toen zij in februari 1968 beviel. Volgens het hof liep de absolute verjaringstermijn van twintig jaar in elk geval vanaf een moment tussen 1968, de feitelijke scheiding van haar kind, en 23 januari 1974, toen de adoptie onherroepelijk werd. De termijn was dus uiterlijk in 1994 voltooid. “Het feit dat sprake is van een schrijnende situatie – en dat is zonder twijfel het geval – is dus onvoldoende”, oordeelde het hof. Volgens Van Duin zat de pijn ergens anders: de moeders kenden de feiten, maar beseften pas veel later dat het onrecht was en niet hun eigen schuld. Dat het zo lang duurde is psychologisch goed verklaarbaar, zegt zij: eerst was er de schande van de zwangerschap, later die van het afstand doen.
Van Duin vindt de overwegingen van het hof zorgvuldig en goed navolgbaar, maar houdt er een nare nasmaak aan over. Op de absolute termijn bestaan uitzonderingen, die het hof toetst aan de gezichtspunten uit het Schelde-arrest. Zulke uitzonderingen zijn vooral aanvaard bij verborgen schade, zoals bij asbest. Het hof zegt dat ze niet daartoe beperkt zijn, maar past toch hetzelfde strenge kader toe: de moeder was steeds op de hoogte van de feiten. Daarbij wordt de tijdgeest volgens Van Duin dubbel tegen de moeders gebruikt: het was toen niet onrechtmatig, want dit was de norm, en tegelijk hebben ze niet op tijd geklaagd, terwijl de reden daarvoor juist was dat die normen anders waren.
Zonder collectieve route moeten duizenden moeders afzonderlijk procederen. Van Duin betwijfelt hoe realistisch dat is: veel vrouwen zijn op leeftijd of niet meer in leven, het bewijs en de dossiers vormen een probleem, en het oordeel over verjaring kan heel goed door andere rechters worden gevolgd, juist omdat het van een gezaghebbend hof komt.
Opvallend is volgens Maes dat het arrest tegelijk bol staat van erkenning. Het hof spreekt van een ‘zwarte bladzijde in de geschiedenis’ en van leed dat ‘reëel en invoelbaar’ is, benadrukt dat de moeders geen reële mogelijkheid hadden om ervoor te kiezen hun kind zelf op te voeden, dat niet-aansprakelijkheid niet betekent dat het ‘dus’ hun eigen schuld is en dat het leed nooit ‘verjaart’. Een doekje voor het bloeden? Van Duin ziet er meer in. Benadeelden hechten veel waarde aan gehoord worden, en rechters zien het steeds meer als hun taak uit te leggen wat een uitspraak wel en niet betekent. “Dat druipt er eigenlijk vanaf.”
Wie kan zich moederschap veroorloven?
Het verhaal van de afstandsmoeders gaat ook over geld, of beter: over het ontbreken ervan. De vrouwen waren vaak jong, hadden geen werk en geen recht op een uitkering, en mochten in die tijd om hun zwangerschap worden ontslagen. Vaak werden ze ook uit huis gezet. Is er sindsdien iets fundamenteel veranderd? Gelukkig wel, zegt Van Gool: dit gebeurt niet meer, in elk geval niet op deze schaal en niet zo georganiseerd. Maar wie zich moederschap kan veroorloven, is volgens haar nog altijd een geldkwestie. Steeds meer mensen stellen hun kinderwens uit. Aanvankelijk waren dat vooral hoogopgeleide vrouwen die eerst carrière wilden maken, maar inmiddels geldt het ook voor mensen met een lagere opleiding en een lager inkomen, die geen huis kunnen vinden of nog bij hun ouders op zolder wonen.
Ook de ‘babyboete’ het inkomensverlies van vrouwen na de geboorte van een kind, is het grootst in de lagere sociaal-economische groepen. Hun positie op de arbeidsmarkt is vaak het zwakst: zij hebben vaker een tijdelijk of uitzendcontract, en daar is zwangerschapsdiscriminatie het meest aanwezig. Het College voor de Rechten van de Mens onderzoekt dit periodiek en komt steeds weer tot dezelfde conclusie: het komt nog altijd veel voor en neemt niet af. Volgens Van Gool wordt bij bijna de helft van de vrouwen met een tijdelijk contract die zwanger worden, het contract niet verlengd. Als jurist weet je hoe moeilijk het is om daarbij discriminatie aan te tonen, terwijl de zwangerschap in veel gevallen wel de reden is. Is het beter geregeld dan vroeger? “Beter dan vroeger. Maar dat is natuurlijk altijd relatief. Het was heel slecht. En het is nu iets minder slecht.” Van Gool wijst op de Toeslagenaffaire, waar alleenstaande moeders, veelal met een migratieachtergrond, een grote groep gedupeerden vormden. Ook daar bleken toegang tot recht en informatie slecht: mensen wisten niet waar ze recht op hadden en de regelingen zijn ingewikkeld.
De prijs van het moederschap is dus verschoven, concludeert Maes: je kind afstaan is niet meer het gevolg, maar wel een groot deel van je inkomen, carrière en pensioen. Van Gool beaamt dat: het is minder ernstig, je hoeft je kind niet meer af te staan, maar je levert nog steeds een groot deel van je inkomen in. Wat haar blijft verbazen, is dat zwangerschapsdiscriminatie al veertig, vijftig jaar bij wet verboden is. In haar lezingen in het bedrijfsleven herkennen veel vrouwen de voorbeelden, maar er zitten ook HR-directeuren die reageren met: “Maar mag dat dan niet? Dat is toch logisch?” Dat het zo geaccepteerd lijkt, vindt ze opvallend.
Keuzes om minder te werken zijn volgens Van Gool minder vrij dan ze lijken. Net als vroeger worden ze beïnvloed door sociale normen, maar ook door economische factoren. Dat raakt ook vaders, die vaak evenmin een vrije keuze hebben. Bij lagere inkomens is de rolverdeling traditioneler en wordt het partnerverlof maar voor zeventig procent vergoed: wie weinig verdient of op het minimumloon zit, kan niet zomaar dertig procent van zijn inkomen inleveren. Een groot deel van de vaders neemt het verlof daardoor niet op, aldus Van Gool.
Wat moet er veranderen? Als Van Gool maatregelen mocht invoeren om over vijftig jaar niet opnieuw met verbijstering terug te kijken, begint ze bij de loonkloof. Gelijk loon voor gelijk werk bestaat juridisch al lang, maar in de praktijk krijgen vrouwen nog steeds minder, ook voor hetzelfde werk. Dat begint vaak al vóór er kinderen zijn, en dan volgt: jij verdient toch minder, blijf jij maar thuis. Daarnaast pleit ze voor betere verlofregelingen voor beide ouders, ook om de werkvloer gelijkwaardiger te maken: als vaders met verlof net zo‘onhandig’ worden gevonden als zwangere vrouwen, kunnen zij net zo goed worden gediscrimineerd. Tot slot is de kinderopvang sterk gecommercialiseerd, deels in handen van private equity met winstmaximalisatie als enig doel. Ze valt bovendien onder het ministerie van Sociale Zaken in plaats van Onderwijs en wordt vooral ingezet als arbeidsmarktinstrument, wat bijdraagt aan het beeld dat ze niet goed voor kinderen zou zijn. Optimistisch blijft Van Gool desondanks: er komt vanuit Europa een nieuwe wet om gelijk loon te handhaven, vrouwen zijn enorm succesvol in het onderwijs en mannen doen thuis iets meer dan vroeger. “Baby steps”, maar in de goede richting.
Conclusie
Eerdere afleveringen van de Claimcast lieten zien dat het aansprakelijkheidsrecht in beweging is: we spraken over de claimcultuur, schadevergoeding in het strafrecht, AI-aansprakelijkheid, racisme en letselschade. Deze aflevering laat zien waar het aansprakelijkheidsrecht op zijn grenzen stuit. Verjaring en ongelijksoortigheid sloten de deur voor de afstandsmoeders, en bewijsproblemen maken individueel procederen bovendien onrealistisch, ook al erkent de rechter het leed volmondig.
Volgens Don werkt de geschiedenis door tot in de tweede en derde generatie: in de afgestane kinderen, maar ook in hun kinderen en in de kinderen die de moeders later kregen. Zo zoekt Ita, nu zestig, nog altijd naar haar vader. “Mijn leven moet nog beginnen”, zegt ze: pas als ze weet van wie ze afstamt en hem ontmoet, kan dat.
De excuses van 2 juli waren voor veel betrokkenen iets dat ze lang niet voor mogelijk hielden. Dat de Staat hardop erkende dat hun onrecht is aangedaan, is niet niks. Maar de brief met herstelmaatregelen viel zwaar tegen: er werd volgens Don niet tegemoetgekomen aan de wensen van moeders en kinderen. Ze geeft een voorbeeld. De dochter van een afgestaan kind was in juli met haar moeder bij de excuses en vroeg het ministerie om de officiële excuusbrief, omdat het ook háár geschiedenis is. Ze kreeg een zakelijk mailtje terug: de brief was alleen bedoeld voor afstandsmoeders, afstandsvaders en afstandskinderen, niet voor de kinderen van die kinderen. Don noemt dat stuitend, en veelzeggend voor hoe het ministerie met deze geschiedenis omgaat. “Zelfs in een afwijzing kun je al een soort warmte formuleren.” Spijt betuigen is volgens haar één ding; berouw betekent dat je er alles aan doet om te laten zien dat je het echt wilt goedmaken. “En dat gebeurt nu niet”, en dat is volgens Don een patroon bij de Nederlandse staat als het om excuses gaat. Terwijl veel van de vrouwen inmiddels in de zeventig of tachtig zijn: “De tijd om het goed te maken loopt ook letterlijk af.”
Tot slot ziet Don een les voor het draagmoederschapsdebat. De staatssecretaris zei bij de excuses dat ze wil voorkomen dat dit nog eens gebeurt. Vrouwen en kinderen die Don kent, waren dan ook ontzet dat het kabinet in oktober een nieuwe draagmoederwet bespreekt. Haar grootste zorg is dat draagmoeders volgens het wetsvoorstel al vóór de zwangerschap afstand doen van hun rechten als juridisch ouder, op een moment dat niemand kan weten wat zwangerschap en bevalling met haar doen. “We bieden nu excuses aan voor een systeem waarin we deden alsof afstand doen een vrije keus was”, zegt ze, terwijl die keuze nu nog vroeger en nog definitiever wordt vastgelegd. Dat het nu al wringt, illustreert ze met een draagmoeder die na de bevalling anders over haar rol ging denken en van de rechter twee keer vier uur per jaar contact met haar zoon kreeg: “In het belang van het kind.”
Sophie van Gool, Anna van Duin en Christel Don komen uitgebreid aan het woord in de zesde aflevering van de Claimcast, een maandelijkse podcast over claims, massaclaims én context, gepresenteerd door Kirsten Maes, advocaat, universitair docent en gepromoveerd op het aansprakelijkheidsrecht. De Claimcast is gemaakt door Recht in je Oor in samenwerking met VBK en is te beluisteren via de podcastkanalen, zoals Spotify en Apple Podcasts en YouTube.
