Bas van Hoek over militair strafrecht en ricocherende kogels

Mr. van de week is Bas van Hoek, militair jurist bij de Koninklijke Luchtmacht en docent militair straf- en tuchtrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Vorige week promoveerde hij aldaar op zijn proefschrift over juridische onvolkomenheden in het toezichtsysteem op militair geweld.

Delen:

Bas van Hoek over militair strafrecht en ricocherende kogels - Mr. Online
Foto: Frans Steffens

Allereerst van harte gefeliciteerd met uw promotie! Hoe heeft u de bijzondere dag ervaren? 
“Dank voor de felicitatie! Het was een onvergetelijke dag. Ik zag er als een berg tegenop en vreesde dat ik door alle spanningen niet in staat zou zijn om in het moment te kunnen genieten. Het lekenpraatje heeft me geholpen om in mijn hoofd tot rust te komen, waardoor ik zowaar plezier beleefde aan de daaropvolgende verdediging. Wat ik niet had verwacht, was dat ik emotioneel zou worden bij de start van het lekenpraatje en het uitspreken van de voorgeschreven formules. Het was een mooie dag die in mijn geheugen gegrift staat en de woorden ‘Hora est!’ gonzen nog in mijn hoofd na. Wat de dag extra bijzonder maakte, was het afscheid van mijn promotor, emeritus hoogleraar professor Terry Gill. Ik was zijn laatste promovendus.”

Uw onderzoek richt zich op het juridische toezicht op militair geweld. Hoe is dat systeem momenteel ingericht en wat ziet u als het belangrijkste hiaat? 
“Als een militair in het kader van de taakuitvoering gebruik heeft gemaakt van geweldsbevoegdheden, dan moet hiervan melding worden gedaan aan de commandant. De commandant stelt vervolgens een After Action Report op dat hij of zij doorstuurt naar de Commandant der Strijdkrachten (CDS). De commandant stelt een kopie van het After Action Report door tussenkomst van de Koninklijke Marechaussee ter hand aan het Openbaar Ministerie. Zowel de CDS als het OM kunnen besluiten om een geweldsaanwending nader te onderzoeken. Het is nu beleid bij Defensie en het OM om een onderzoek te starten als door de geweldsaanwending burgerslachtoffers worden gemaakt. Het feit dat het onderzoek naar een geweldsaanwending door het OM niet wettelijk is geborgd, beschouw ik als een belangrijk hiaat.”

Op de site van de UvA schetste u onlangs dat u als militair jurist in de praktijk heeft gezien dat militairen angstig werden om hun wapen nog te gebruiken, vanwege mogelijke juridische consequenties. Kunt u dat eens toelichten? 
“Die vrees bestond naar aanleiding van een militaire strafzaak uit 2004 waarbij een sergeant-majoor der mariniers werd vervolgd voor het schenden van zijn geweldsinstructie door een waarschuwingsschot af te vuren tijdens de beveiliging van een militair konvooi in Irak. Hij vuurde het schot af richting de grond. De kogel ricocheerde en heeft een Irakese burger dodelijk getroffen. De betreffende militair is uiteindelijk door zowel de rechtbank als het gerechtshof vrijgesproken.
Door de strafrechtelijke vervolging ontstond angst onder militairen dat ze bij gebruik van het wapen direct voor de rechter zouden moeten verschijnen. Het beeld ontstond dat het OM geen idee had van de omstandigheden waarin militairen hun taak moesten uitvoeren en daardoor te lichtvoetig zou besluiten om tot vervolging over te gaan. De strafzaak was voor Defensie aanleiding om het OM te vragen een soortgelijke handelwijze te hanteren als in geval van een geweldsaanwending door politieambtenaren; een feitenonderzoek starten waarbij de militair zou worden aangemerkt als getuige in plaats van verdachte. De beeldvorming binnen de krijgsmacht over de denk- en werkwijze van het OM is in de loop der jaren ten goede veranderd, maar de rol van het OM blijft een gevoelig onderwerp.
Overigens is het feitenonderzoek naar geweldsaanwendingen door politieambtenaren inmiddels wettelijk geregeld. Dat gekozen is voor een regeling in het Wetboek van Strafvordering bevreemdt mij echter wel.”

In uw proefschrift pleit u ervoor dat het OM zich terughoudender moet opstellen als het gaat om geweld dat is toegepast in het kader van een gewapend conflict. Waarom vindt u dat?
“Waar het mij om gaat is dat we meer genuanceerd gaan nadenken over de huidige inrichting van het toezichtsysteem. Het gaat mij om de rol van zowel het OM als Defensie in dit systeem. Onder alle omstandigheden moet de krijgsmacht verantwoording afleggen over het gebruik van geweld, maar de wijze waarop dit gebeurt, kan verschillen per militaire operatie. Een grootschalig conflict waarbij in het hoogste geweldsspectrum wordt opgetreden, kan in mijn ogen anders worden benaderd dan het gebruik van geweld in het kader van een anti-piraterij operatie. Het komt de juridische effectiviteit van het toezicht ten goede.
Meer concreet leg ik de vraag op tafel of het vanuit internationaal juridisch perspectief nodig is dat het OM een onderzoek instelt in alle gevallen waarin tijdens een gewapend conflict door militair geweld burgerslachtoffers worden gemaakt. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.”

Kijkend naar de toekomst: wat is in uw ogen de eerste prioriteit om tot een beter houdbaar toezichtsysteem op militair geweld te komen?
“De gedachte dat geweld moet worden verantwoord, is gemeengoed binnen Defensie. Tegelijkertijd zijn militairen geneigd te denken dat het After Action Report wordt geschreven voor het OM en dat het OM verantwoordelijk is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het geweldgebruik. In mijn proefschrift betoog ik dat Defensie primair verantwoordelijk is voor deze beoordeling en dat deze beoordeling integraal deel uitmaakt van het militaire concept van ‘command en control’. Deze verantwoordelijkheid zou moeten worden opgenomen in de Nederlandse Defensie Doctrine. Daarnaast acht ik het van belang dat de kaders van het onderzoek naar militair geweldgebruik wettelijk worden vastgelegd.”

Wie of wat is in uw juridische carrière uw bron van inspiratie? 
“De veelal jonge mannen en vrouwen die onder leiding van eveneens jonge mannen en vrouwen de Haagse besluitvorming om moeten zetten in concrete militaire daden. Mijn collega’s dus. Zij inspireren mij iedere dag weer om mijn stinkende best te doen.”

Welk boek las u het laatst? 
“Nu ben ik bezig in het boek Nexus van Yuval Noah Harari. Het beschrijft de geschiedenis van informatienetwerken en zoomt in op het gebruik van kunstmatige intelligentie. Hij schetst de gevaren ervan, beangstigend om te lezen… en ik ben nog maar op de helft van het boek.”

Wat is uw favoriete wets- of verdragsartikel? 
“Een favoriet wets- of verdragsartikel heb ik niet, maar de militaire wetgeving in het algemeen vind ik interessant. Van huis uit ben ik strafrechtjurist en boeit mij in het bijzonder het snijvlak van het militair strafrecht met het militair operationeel recht. In mijn huidige functie bij de Militaire Luchtvaart Autoriteit mag ik me bezighouden met het militair luchtrecht; een rechtsgebied waar weinig tot niets over is geschreven. Nu ik het promotietraject heb afgerond, ga ik hier samen met collega’s een inleidend boek over schrijven.”

Met welke historische figuur zou u graag eens in gesprek gaan? 
“De behoefte om in gesprek te gaan met een historisch figuur heb ik niet. Wel zou ik heel graag teruggaan in de geschiedenis en als een vlieg op de muur bepaalde gebeurtenissen meemaken en zien hoe historische figuren zich hierin bewegen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de militaire planning van de landing op de stranden in Normandië op 6 juni 1944. Maar ook lijkt het me interessant om bijvoorbeeld een glimp op te vangen van het dagelijks leven op een willekeurige plek op deze aardbol in de achttiende eeuw.”

Als u het voor het zeggen had, dan…?
“… zou ik wereldleiders uitnodigen om het in een boksring tegen elkaar op te nemen als ze hun doelen niet meer met praten kunnen bereiken.”

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven