Kritische waakhond van het Openbaar Ministerie

Slachtofferrechten: zinvol, maar nu schiet het door. Zwijgrecht: prima, maar een regeling die dat inkadert is welkom. De gedragscode voor OM’ers: heel waardevol, maar deze verder optuigen is nodig. De IT-systemen en de apparatuur in de zittingszaal: eindelijk, maar ze moeten wél beter werken. Joep Simmelink kent als advocaat-generaal het OM van binnen en is als bijzonder hoogleraar Openbaar Ministerie tevens een kritische beschouwer.

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email
MR2104_ART1_8476 Joep Simmelink fotoChantalAriens_OPENING-8688f074
foto: Chantal Ariëns

Als Simmelink vijf jaar advocaat-generaal is, wordt hij – voor twee dagen in de week – gedetacheerd bij Maastricht University, als bijzonder hoogleraar Openbaar Ministerie. Daar leert hij studenten over het OM als organisatie en over de taken en positie van het OM binnen het staatsbestel. “Beide functies zijn tot op zekere hoogte te scheiden en tot op zekere hoogte ook niet. Met de leerstoel wordt beoogd kruisbestuiving tot stand te brengen tussen wetenschap en praktijk. Mijn ervaringen vanuit het OM zijn voor studenten interessant, met praktijkcasussen kun je de theorie illustreren. Werken aan een universiteit leidt tot verdieping en inzichten die je daar verwerft kun je vertalen naar de praktijk van het OM.”

Peter R. de Vries

Joep Simmelink vertelt zijn verhaal in een vergaderruimte van het Openbaar Ministerie in Arnhem, daags na de uitvaart van Peter R. de Vries. Het is een vrijdagmiddag, in het gebouw lijken nauwelijks mensen aanwezig. Simmelink formuleert bedachtzaam, denkt nadrukkelijk na over zijn woorden, laat stiltes vallen – hij oogt meer een academicus dan een harde crime fighter.

Kan dat samengaan? Wiens brood men eet gaat in deze constellatie niet op. Tijdens de instelling van de leerstoel – Simmelink volgde Paul Frielink op, die als OM’er de eerste hoogleraar was die deze leerstoel bekleedde – is de academische vrijheid nadrukkelijk aan de orde gekomen. Dat houdt in dat de prof kritisch mag zijn op zijn eigen organisatie, wat ‘tot op heden’ nooit tot fricties heeft geleid, zegt hij. “Als ik een artikel schrijf, dan stuur ik het vóór publicatie ter kennisneming naar mijn contactpersoon bij het College van procureurs-generaal. Daarop komt eigenlijk nooit een afwijzende reactie, en zeker niet een mededeling dat ik iets níet mag opschrijven. De academische vrijheid wordt gerespecteerd, wat ook een eis was van de universiteit.”

Met uw oratie uit 2015 gaf u wat dat betreft uw visitekaartje af. Zo zei u dat het goed is dat de advocatuur het OM bij de les houdt. Waarom is dat voor het OM zo nodig?
“Het OM is een organisatie met veel macht en bevoegdheden. Vanuit rechtsstatelijk oogpunt moet dan van buiten kritisch naar deze organisatie worden gekeken, zodat het functioneren optimaal is – zowel juridisch als in de dagelijkse omgang met mensen en zaken. Iedere organisatie met macht heeft in de rechtsstaat kritische waakhonden nodig. En bij de strafrechtspleging is dat primair de advocatuur.”

Het college vond dat ook van Peter R. de Vries, zo bleek uit een rouwadvertentie.
“Hij heeft dat met verve gedaan. Dat zijn werk van grote betekenis was voor de gehele strafrechtspleging zie je bijvoorbeeld aan de Puttense moordzaak.”

Aanslag

De aanslag op De Vries was voor Simmelink niet iets waarvan hij nog exact weet wat hij deed toen hij het hoorde. Wel noemt hij het ‘vreselijk’ dat iemand vanwege zijn functie – vertrouwenspersoon van een kroongetuige – wordt neergeschoten. “Dat zegt dat criminele organisaties zich onaantastbaar wanen en precies doen wat ze willen, met als doel zand in de wielen van de strafrechtspleging te strooien.”

Simmelink maakte De Vries één keer persoonlijk mee, in een cold case die de misdaadjournalist met belangstelling volgde. “Als kritische waakhond zorgde hij ervoor dat in menig zaak verkokering werd doorbroken en dat het onderzoek ruimer werd getrokken. Hij wist met verschillende acties zaken die in het slop waren geraakt weer vlot te trekken. Hij wist ook diverse zaken op te helderen. Voor het OM en de politie had hij een belangrijke functie.”

Wat zegt het over het OM dat een externe, een niet-jurist, dat weet te realiseren?
“De Vries kon vanuit een totaal andere rol mensen van het OM en de politie bevragen en stimuleren, niet gehinderd door beperkingen waar wij mee te maken hebben. Voor ons gelden er begrenzingen qua bevoegdheden, prioriteiten, tijd en capaciteit. We moeten dus keuzes maken. Kom je in een ernstige zaak niet verder met het opsporingsonderzoek, dan houdt het op een gegeven moment op. Als een buitenstaander dan met originele acties komt, dan is dat heel positief.”

Geen supermarktwijn

Joep Simmelink komt uit een politie- en onderwijsfamilie, hij is er de eerste jurist. Zijn vader en zijn overgrootvader waren politiemensen, een andere tak van de familie zat in het onderwijs – Simmelink is als advocaat-generaal en hoogleraar een mix van twee werelden. Ook thuis is hij de enige jurist, een dochter zit in de sociaal-maatschappelijke dienstverlening, de andere is verloskundige. Zijn vrouw en hij hebben ook twee kleinzoons, een derde kleinkind wordt in november verwacht.

Op dat moment is het ook weer bijna tijd om een grote hobby uit te oefenen: koken en genieten van wijn. Simmelink zit in een clubje dat in Zwolle en omgeving diners bereidt. Dat gebeurt sowieso drie keer per jaar: in de aspergetijd, de wildtijd en rond het jaareinde. De een maakt de amuses, de ander het voorgerecht, weer een ander het hoofdgerecht – iedereen zijn eigen gang. Grote uitdaging is steeds om daar passende wijnen bij te zoeken: “Bijzondere wijnen, niet die van de supermarkt.”

Bezuinigingen

Terug naar zijn oratie, waarin Simmelink opmerkte dat in veel strafzaken de administratie niet op orde is, het procesdossier niet tijdig beschikbaar of incompleet, de tenlasteleggingen ongelukkig opgesteld, de doorstroming vertraagd, de verwerking van de rechterlijke uitspraak gebreken vertoont en de juistheid van de vervolgingsbeslissing ter discussie staat.

Die kritische noot van zes jaar geleden herinnert hij zich nog goed. Die gebreken kwamen voor een belangrijk deel voort uit bezuinigingen waarmee OM en Rechtspraak te maken hadden. Ruim tien jaar geleden werden zware budgettaire beperkingen opgelegd, zegt Simmelink, wat een lange nasleep heeft gehad, tot op heden. Deels zijn die problemen opgelost, deels bestaan ze nog, deels vertalen de budgettaire inkrimpingen zich in andere problemen. Op het gebied van de doorstroming van zaken zijn veel inspanningen geleverd, door digitalisering gaat het met de samenstelling van de strafdossiers veel beter. Het geldtekort leidde ertoe dat onderhoud en het bij de tijd houden van IT-systemen een te lage prioriteit kregen. Nu loopt het OM aan tegen beperkingen van de automatische systemen van OM, Rechtspraak en politie. “Ze vertonen veel storingen, ze zijn niet goed op elkaar afgesteld, er zijn nog steeds investeringen nodig, grote investeringen zelfs. Maar IT kost bakken met geld, er is helaas veel geld verspild met KEI. Het inlopen van de IT-achterstand zal nog jaren geduld vragen. Corona was een bijzonder breekijzer: in één klap werd aan kapitalen apparatuur de zittingszalen binnengereden, daarvoor was er niet eens geld voor normale investeringen. Maar de werking ervan laat te wensen over.”

Magistratelijk

 U uitte in uw oratie kritiek op het OM, maar u bent niet de enige. Zo vond strafrechtadvocaat en hoogleraar Stijn Franken dat het OM te weinig magistratelijk, te weinig gericht was op waarheidsvinding en te veel gericht op zaken ‘winnen’.
“Daar ben ik het niet mee eens. We hebben veel gedaan om het magistratelijke tot gelding te brengen, hoewel het zo niet wordt benoemd. Toen Franken dat schreef zaten we volop in de periode van de bezuinigingen. We moesten meer prestaties leveren met minder mensen. Dan komt de nadruk haast vanzelf te liggen op het wegwerken van zaken. Maar door interne consultaties, reflecties en vormen van overleg hebben we het magistratelijke bij de behandeling van zaken betekenis gegeven.”

Schiet het wel op met de doorstroming van strafzaken?
“Enkele jaren geleden zei een officier in het zuiden van het land: een beetje omvangrijke strafzaak is een logistieke nachtmerrie. Je moet veel verdachten, veel advocaten en soms veel slachtoffers goed in de agenda’s van OM en Rechtspraak krijgen. Dat kost veel energie en aandacht. Er worden hoge eisen gesteld waaraan de behandeling moet voldoen en die eisen worden steeds zwaarder. De werklast van een strafzaak is veel zwaarder dan tien jaar geleden. Dat geldt overigens niet voor een eenvoudige winkeldiefstal, wel voor de complexe zaken, in eerste aanleg én in hoger beroep. Heb je een zaak met zes verdachten die het liefst tegelijkertijd op zitting moeten komen, dan ben je zo acht maanden verder voordat alle agenda’s op elkaar zijn afgesteld. En dan heb je vaak meerdere zittingen. In omvangrijke zaken wordt nu geëxperimenteerd met methoden om de afdoening te bespoedigen, zoals het maken van afspraken tussen OM, rechter en verdediging over de procesgang. Dergelijke afspraken zijn voor de verdediging alleen maar interessant als daar een voordeel tegenover staat, zoals strafvermindering of een beperking van de omvang van de vervolging. Hier zit de achilleshiel van deze experimenten, want zijn dergelijke voordelen wel gepast? En moet dit niet berusten op een bijzondere wettelijke regeling?”

Slachtofferrechten

De ‘zwaardere eisen’ komen voor een belangrijk deel van de wetgever, en Simmelink noemt dat ‘deels terecht’, zoals aandacht voor slachtoffers. Hij vindt het een verbetering van de strafrechtspleging dat zij een fatsoenlijke positie hebben – Simmelink is dan ook een leerling van de Tilburgse hoogleraar strafrecht Marc Groenhuijsen, een vooraanstaand victimoloog. “Maar we kunnen er wel last van hebben. Hoe meer rechten slachtoffers hebben des te beter, vindt de politiek. Maar Groenhuijsen zei al: méér is niet altijd beter. Doe je wat aan de positie van slachtoffers, dan moet je goed bezien wat daarvan de consequenties zijn. Het spreekrecht vind ik een verrijking van de strafrechtspleging, zolang het gaat om wat het strafbare feit voor het slachtoffer heeft betekend. Maar de uitbreiding van enkele jaren geleden, toen het spreekrecht ook kon gaan over het bewijs en de strafmaat, plaatst het slachtoffer in een bijzondere positie: in de kern als mede-aanklager. De verdachte kan dan zijn pijlen richten op het slachtoffer, dat dan een soort secundaire victimisatie kan ondergaan. Ook heeft de wetgever bij de versteviging van de positie van het slachtoffer onvoldoende oog gehad voor de verhoudingen tussen de procesdeelnemers. Er is nu sprake van een onevenwichtigheid die in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering moet worden gecorrigeerd.”

Georganiseerde misdaad

De zorgen om de uitgebreide slachtofferrechten vallen in het niet bij dé opdracht van het OM: de misdaad aanpakken. Herman Bolhaar, die tien jaar geleden aantrad als collegevoorzitter, legde de nadruk op straatcriminaliteit, zware criminaliteit en georganiseerde misdaad – in die volgorde. Zijn opvolger Gerrit van der Burg vindt de aanpak van cybercrime en ondermijning het belangrijkste. Simmelink: “De focus ligt nu terecht op high impact crime en georganiseerde criminaliteit. Overvallen op woningen, ernstige vormen van geweldpleging, zedendelicten, internationale drugscriminaliteit. Ondermijning vind ik een diffuse term, georganiseerde of bendecriminaliteit is aansprekender. Daar zitten de serieuze bedreigingen, ook voor de strafrechtspleging, zie de moorden op Derk Wiersum en Peter R. de Vries. Zij hadden in de strafrechtketen een gezicht en de georganiseerde criminaliteit rekende daar genadeloos mee af. Daar moeten we in investeren.”

En op fronten is het OM daarin nog te weinig succesvol, vindt Simmelink. Hij haalt criminoloog Cyrille Fijnaut aan, die jaren geleden al vond dat de regeling rond kroongetuigen moet worden verruimd. De huidige beperkingen moeten worden losgelaten zodat het OM veel meer toezeggingen kan doen aan mensen die uit de school klappen. “Dat vereist nieuwe wetgeving. Nu zijn we nog met onze handen gebonden. Bij misdaadgeld ligt de focus nu op cash, en de greep daarop is nu een dikke onvoldoende. We krijgen maar een fractie te pakken van wat er in die wereld rond gaat. Het is snijverlies van de slager.”

Dat de greep op de georganiseerde criminaliteit niet sterker wordt, ligt volgens Simmelink aan de bevoegdheden en capaciteiten van het OM, en het te beperkte inzicht in high finance. Crimineel geld is vaak flitskapitaal, met drie muisklikken is het vijf keer de wereld rond. Gaan politie en justitie daar achteraan, dan zijn ze altijd te laat. “De uitoefening van rechtshulpinstrumenten vergt veel tijd. Vermoed je dat crimineel geld in Spanje zit en je belt je collega daar, dan is het allang weer weg. Je krijgt daar maar heel moeilijk vat op. Wil je echt effectief iets doen aan criminaliteit met internationale dimensies, dan kom je uit bij oplossingen die veel weerzin oproepen: dat staten beperkingen op hun strafrechtelijke autonomie accepteren. Binnen de EU worden al eerste stappen in die richting gezet met een Europees OM. Bij de erkende witwasparadijzen gaat dat zeker niet lukken.”

Dit probleem is niet met enkele wetswijzigingen op te lossen.
“Klopt. Het gaat er meer om hoe je je bevoegdheden uitvoert, hoe je het politiewerk praktisch inricht. We hebben meer gekwalificeerde mensen nodig die affiniteit hebben met de financiële wereld. Binnen politie en OM bestaat een voorkeur voor hard core criminaliteit, met echte boeven. De cultuur is ook: politiemensen willen actie en niet achter de computer financiële criminelen opsporen. Misdaadgeld – dat wordt gezien als ‘het is maar geld’ en dat afpakken staat op het tweede plan. Het heeft ontstellend lang geduurd voordat de ontnemingswetgeving, ingevoerd in 1993, maar enige voet aan de grond kreeg. De aandacht hoeft maar iets te verslappen of zelfs die voetjes verdwijnen weer.”

Een deel van de oplossing zit in creativiteit: grenzen opzoeken in de opsporing en vervolging, zoals bij de Mr. Big-methode. Daarbij gaat een politieman banden aan met een verdachte, creëert de schijn van betrokkenheid bij een criminele organisatie en probeert van deze verdachte een verklaring over betrokkenheid bij een ernstig feit te krijgen. Deze methode is in het buitenland redelijk succesvol en in Nederland enkele keren toegepast. Maar mag het? “We denken van wel, maar de rechter kan er anders over denken, dat is het risico van innovatieve opsporingsmethoden. Dat geldt ook voor verspreiden van staatswege van cryptotelefoons. Ik vind het heel creatief bedacht – maar mag dat? Niemand heeft criminelen verplicht zo’n telefoon te kopen en te gebruiken. Maar als je dan alle communicatie tot je beschikking hebt, dan zit daar ook een pijnpunt. Ook hier zijn wij gebonden aan de regels van de democratische rechtsstaat.”

Zwijgrecht

Een ander pijnpunt dat Simmelink noemt is het zwijgrecht, dat steeds vaker wordt ingeroepen. Zo weigerden de verdachten van de moord op Nicky Verstappen en op Derk Wiersum om maar iets te zeggen. Maar dat kan best wel eens tegen hen gaan keren, vermoedt – en hoopt – de AG. De rechtspraak laat de laatste jaren een tendens zien: zegt de verdachte niks, dan kan de interpretatie van andere bewijsmateriaal ten bezware van hem doorwerken. “Wordt na een inbraak een auto met vier personen met de buit aangetroffen, en alle vier zeggen van niks te weten, dan worden ze gewoon veroordeeld voor het medeplegen van de inbraak. De rechter zegt: we hebben te maken met een bezwarende situatie, u moet maar duidelijk maken dat u niet verantwoordelijk bent voor de inbraak. Dat is geen omkering van de bewijslast. Er is immers veel belastend bewijsmateriaal. Het ligt dan op de weg van de verdachte om uitleg te geven over zijn positie. Doet hij dat niet, dan werkt dat door bij de bewijswaardering. Ik interpreteer dat als een reactie op het toenemend gebruik van het zwijgrecht.”

Deze jurisprudentie roept vragen op. Daarom ziet Simmelink liever dat er een specifieke wettelijke regeling voor komt. Engeland heeft dat al, het Europese hof heeft er al zijn zegen aan gegeven. “Zo’n regeling, een codificatie van wat nu de jurisprudentie lijkt, zouden we kunnen meenemen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering. In de rechtspraak is dat een geaccepteerde benadering maar voor de duidelijkheid, voor alle betrokkenen dus ook verdachten, moet dat worden neergelegd in een wettelijke bepaling: u beroept zich op het zwijgrecht, maar dat kan betekenen dat u er niet goed vanaf komt. Dat is een sterk weerwoord tegen strafrechtadvocaten die hun cliënten instrueren: zeg niets. Met zo’n regeling blijft de onschuldpresumptie overeind. Die Engelse regeling kan als inspiratie worden gebruikt voor een Nederlandse.”

Gedragscode

Iets anders. Wat vond u van de relatie tussen de hoofdofficieren Marc van Nimwegen en Marianne Bloos?
“Dat vind ik niet interessant. Dit was een heel bijzondere situatie die destijds de nodige onrust heeft opgeleverd, maar dat is nu wel weggezakt.”

Door de rapporten van Fokkens en van de visitatiecommissie?
“Fokkens constateerde dat het OM niet correct omging met signalen over deze ten onrechte verzwegen relatie. Volgens de visitatiecommissie zijn er binnen het OM goede stappen gezet. Het Bureau Integriteit OM heeft een sterkere positie gekregen, er zijn meer vertrouwenspersonen binnen het OM aangewezen, de gedragscode is uitgebreid.”

Zijn we er daarmee?
“Hier is iets wonderlijks aan de hand. De gedragscode is gebaseerd op de vijf kernwaardes van het Openbaar Ministerie: professioneel, integer, open, zorgvuldig en omgevingsgericht. Die zijn heel algemeen geformuleerd en daardoor nogal vaag. Daar is nu een stuk aan toegevoegd over relaties op het werk, een heel afwijkend stuk, met een hele set aan gedragsregels waaraan mensen zich moeten houden als zo’n situatie zich voordoet. Over integriteit – misschien wel het belangrijkste voor iedere OM‘er – wordt weinig gezegd en een onderwerp waarvan je denkt: moet dat zoveel aandacht krijgen – relaties –, krijgt uitgebreide ruimte. Dat is incidentenpolitiek. Beter was het om de hele gedragscode meer op te tuigen. Geef integriteit meer handen en voeten en prima als je dan zijdelings iets zegt over relaties op het werk. Want dat dergelijke relaties ontstaan, is een fact of life.”

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top