Prejudiciële beslissing: de positie van een kind bij een vordering tot ontruiming
De Hoge Raad beantwoordde prejudiciële vragen van de rechtbank Noord-Holland over de reikwijdte van art. 3 lid 1 Kinderrechtenverdrag bij de beoordeling van een gevorderde ontruiming van een woning waarbij kinderen betrokken zijn. Dit artikel bepaalt dat instanties en wetgevers het belang van het kind als eerste en primaire overweging moeten nemen bij alle handelingen en beslissingen die kinderen aangaan.
De Hoge Raad bevestigt dat dit ook geldt bij vorderingen tot ontbinding van een huurovereenkomst (art. 6:265 lid 1 BW) en een daarmee samenhangende ontruimingsvordering. Een ontruimingsvordering hoeft echter niet steeds te worden afgewezen, ook als het in het belang van deze kinderen is om in het gehuurde te blijven wonen. Het brengt wel bijzonder gewicht in de schaal bij de belangenafweging. De rechter moet, zo nodig ambtshalve bij de verschenen procespartijen, ook bij verstek, nagaan of de ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in hun belang is. Hij mag geen zelfstandig onderzoek doen bij de gemeente of hulpinstanties. Hij mag wel de verhuurder vragen welke alternatieve huisvesting beschikbaar is. Onder omstandigheden kan de ontruiming voorwaardelijk worden toegestaan (bijvoorbeeld: ontruiming mits alternatieve huisvesting beschikbaar is). Van een verhuurder die meerdere woningen verhuurt (zoals een woningcorporatie) kan doorgaans meer worden verwacht dan van een particuliere verhuurder.
Goed huurderschap houdt niet op bij de voordeur
In deze zaak bevestigt de Hoge Raad de al jarenlange vaste lijn in de rechtspraak dat de verplichting uit art. 7:213 BW om je als goed huurder te gedragen óók betrekking heeft op gedragingen buiten het gehuurde. Er moet dan wel voldoende verband bestaan tussen de huurovereenkomst en de gewraakte gedraging. In dit geval schoot de huurder tekort in deze verplichting door zich herhaaldelijk ernstig te misdragen op het kantoor van de verhuurder, onder meer door zichzelf te verwonden en zich te ontkleden in het zicht van medewerkers omdat hij een andere woning wilde.
Hof Amsterdam en Den Haag: opslag van maximaal 5 procent bovenop indexatie is oneerlijk
De uitspraak van de Hoge Raad over de (on)eerlijkheid van huurprijswijzigingsbedingen heeft tot veel rechtspraak geleid (zie onze Mr.-bijdragen van 9 januari en 3 juni 2025). Nu heeft het hof Amsterdam zich op 2 en 9 december jl. hierover uitgelaten, net als het hof Den Haag. Volgens de hoven is een opslagbeding van maximaal 5 procent bovenop indexatie in de geschetste omstandigheden oneerlijk; het indexatiebeding blijft in alle arresten onaangetast.
Enkel glas: een gebrek of niet?
We sluiten af met een uitspraak van datzelfde hof Amsterdam: enkel glas in een monumentale huurwoning uit 1665 vormt geen gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW. Eerder had de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat dit wel het geval was.
