The Liar

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Goede(zaterdag)morgen Literatuurvrienden!

Mensen die de waarheid in gedrag, woord en/of geschrift geweld aandoen om een ander nodeloos te kwetsen, tekenen bij mij hun ‘passevang‘ af. De op beschadiging gerichte leugen behoort niet te regeren en het Recht richt zich daar – gelukkig – ook naar, niet alleen in het strafrecht, dat een broertje dood heeft aan misdrijven als bijvoorbeeld meineed, valsheid in geschrifte, oplichting, flessentrekkerij, maar zeker ook in het burgerlijk recht, dat niets moet hebben van een wederpartij op het verkeerde been zetten door een voorstelling van zaken die niet klopt, bedrog, misleiding of misbruik van omstandigheden. De keerzijde hiervan is dat juristen nog al eens beroepsmatig worden omgeven door dit web van leugens. Velen weten gelukkig daar ver van te blijven, anderen raken slechts de rafelranden, maar dáár begint helaas het hellend vlak voor degenen die er in verstrikt raken. En dan is er geen redding meer mogelijk. Vermoedelijk ligt daar de bron van de volkswijsheid dat juristen recht praten wat krom is, waarmee overigens juristen die krom praten wat recht is op één lijn zijn te stellen. Vaak zijn dat uiteindelijk – gelukkig maar – niet de beste juristen, want ‘recht- en krompraterij‘ zijn niet te verenigen met de kunst van het rechtvaardige en goede die wij behoren te beoefenen. Men mag mij tegenwerpen, wellicht om de eigen straat schoon te vegen, dat ‘Dichtung und Wahrheit‘ dicht bij elkaar liggen, maar dan riposteer ik met ‘al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel‘. Veel succes wens ik hen die het juridisch geluk zoeken in de wereld van de intriges, manipulatie en verdraaiing. Geef mijn portie daarvan maar aan fikkie. ‘Play to win‘ met ‘fair play‘, daar draait het om.

Met dit fikkie snel op naar de fictie van vandaag, die bol staat van de leugen, hetgeen niet alleen reeds uit de titel van het boek blijkt, maar nog meer uit de navolgende zin op één van de blanco pagina’s voorin het boek: ‘Not one word of the following is true‘. Ik heb het over The Liar, het romandebuut uit 1991 van de briljante Stephen Fry, met in de hoofdrol Adrian Healey, een intelligente, hooghartige ‘gay’ universiteitsstudent in Cambridge, die een dagtaak heeft aan het verspreiden van leugens, het toepassen van list en bedrog en het spelen van spelletjes. Dat gaat hem goed af tot hij bij het inleveren van een paper bij de excentrieke hoogleraar filologie Trefusis genadeloos wordt betrapt op het vrijwel klakkeloos overschrijven van een artikel (de Professor herkent ‘Val Kirstlin, Neue Philologische Abteilung, July 1973, “The Origin and Nature of the Periphrastic Verb ‘Do’ in Middle and Early Modern English‘). Trefusis lijkt hem in niet mis te verstane woorden de les te lezen (‘My first meeting with you only confirmed what I first suspected. You are a fraud, a charlatan and a shyster.‘), maar voegt er aan toe: ‘My favourite kind of person, in fact.‘ en wel omdat ‘I am a student of language, Mr Healey. You write with a fluency and conviction, you talk with authority and control. A complex idea here, an abstract proposition there, you juggle with them, play with them, seduce them. There is no movement from doubt to comprehension, no breaking down, no questioning, no excitement. You try to persuade others, never yourself. You recognise patterns, but you rearrange them where you should analyse them. In short, you do not think. You have never thought. You have never said to me anything that you believe to be true, only things which sound true and perhaps even thought to be true: things that, for the moment, are in character with whatever persona you have adopted for the afternoon. You cheat, you short-cut, you lie. It’s too wonderful.

Dat lijkt niet de goede kant op te gaan, maar de professor is uit het goede hout gesneden en zet Adrian weer op het rechte spoor door er bij hem op aan te dringen aan het eind van het semester iets origineels aan te leveren (‘Perfectly simple! Any subject, any period. It can be a three-volume disquisition or a single phrase on a scrap of paper.‘) Tussen de professor en Adrian ontwikkelt zich langs die lijnen een bijzondere vertrouwensband, maar zonder slag of stoot gaat dat niet, want een stoorzender dient zich aan in de persoon van Professor Garth Menzies (‘Professor of Civil Law‘), die we voor het eerst ontmoeten in een ‘Fellows’ meeting‘. Menzies – type verklikker en strikt utilitair denker – is recht in de leer, zoals dat heet en dat wordt al meteen duidelijk als hij bij het begin van de vergadering moet hoesten van de rook uit de pijp van ‘Bursar‘ Munroe: ‘Excuse me, Mr President (…) I understood we had agreed to a no-smoking rule at Fellows meetings?‘ Als Munroe daartoe aangespoord door de President zijn pijp met een kwade blik op de tafel werpt, lacht Menzies van oor tot oor. Munroe weet daar wel raad mee. Hij begint hardop te snuiven: ‘Excuse me, Mr President (…) Am I alone in detecting a nauseating smell of spearmint in this room? (…) It really is most disagreeable. I wonder where it could be coming from?‘ Menzies haalt dan kwaad een pepermuntje uit zijn mond en deponeert het in de asbak. De fellows richten zich daarna op het probleem van een tekort aan post-docs, waardoor de geldkraan van het Ministerie van Onderwijs dichtgedraaid dreigt te worden. Minder aandacht voor ‘Arts’ en meer, aldus de President, voor ‘disciplines which can more productively… ah Professor Trefusis!‘ De rokende, laatkomer Trefusis (‘Menzies coughed and pushed the ashtray towards Trefusis‘ – ‘Thank you, Garth (…) Most thoughtful‘) ziet geen verband met zijn department ‘English‘: ‘What has English to do with “the Arts”, whatever they may be? In deal in exact science, philology. My colleagues deal with an exact science, the analysis of literature.’ ‘Popycock‘, volgens Menzies. Trefusis: ‘No, if anything it’s hard shit‘. Menzies: ‘Professor Trefusis (…) this is a minuted meeting of adults, if you feel you can’t preserve the decencies of debate then perhaps you should leave.‘ Trefusis: ‘My dear old Garth (…) I can only say that you started it. the English language is an arsenal of weapons; if you are going to brandish them without checking to see whether or not they are loaded you must expect to have them explode in your face from time to time. “Poppycock” means “soft shit” – from the Dutch, I need scarcely remind you, pappe kak.‘ Daar heeft Menzies niet van terug tot de President met tegenzin de boodschap van Onderwijs brengt dat slechts meer geld wordt vrijgemaakt voor wetenschappen die ‘a palpable value to the world‘ hebben, zoals ‘botany or genetics‘ en ‘economics‘, dan juicht Menzies ‘hear, hear‘. Maar Trefusis krijgt bijval van een andere fellow over deze bezuinigingswaanzin: ‘This Philistinism will do nothing but impoverish our country‘. Trefusis is bereid met studenten op te trekken naar Whitehall, maar vanzelfsprekend roept dat weerstand van Menzies op: ‘This pose of embittered and embattled artist (…) is unseemly and out of date. Society can no longer afford its jesters and is weary of being hit over the head with empty pig’s bladders. The world is bored of the piffling excesses of the Arts, of its arrogance and irrelevance to the real world. Your fat could do with trimming.’ Om die onzin te weerleggen heeft Trefusis niet veel woorden nodig: ‘You’re right of course (…) I see that now. We need lawyers. Wave upon wave of them.’

Natuurlijk komt het nooit meer goed tussen Trefusis en Menzies, zeker niet als Trefusis later betrapt wordt op en moet voorkomen voor wat George Michael heeft bezongen in ‘Let’s go outside‘. Dan is Menzies haantje de voorste om barbertje te laten hangen, in het bijzijn van Adrian als studentenvertegenwoordiger, tijdens een volgende vergadering. De vergadering is al halfweg als Menzies opstaat met ‘the smile of the just‘: ‘There is one thing, Master.‘ Nee, het kan niet wachten. ‘Other men might shrink from they duty, but not Garth Menzies‘, denkt Adrian. Menzies: ‘I am amazed, Mr President, absolutely amazed that this meeting can contemplate adjournment without first discussing the Trefussis Affair.’ Woedend is Adrian: ‘He had said it. Such a want of delicacy. Such wounding impropriety. (…) Those parts of Adrian that weren’t already looking sharply down or clenching tightly together contrived to quiver with disfavour. How incredibly like Garth to bring up the one subject that everyone else in the room had been so elegantly avoiding. How childish the rhetoric with which he claimed to be amazed at that avoidence.’ En hoe voelen wij ons met een crimineel in ons midden?, sputtert Menzies (‘Oh yes, Master, a criminal’), terwijl hij – ‘tall and thin, face as white, shiny and bold Roman as the cover page of the quarterly journal of civil law it was his pride to edit – wappert met een exemplaar van de Cambridge Evening News. ‘Adrian found himself chilled by the sight of a grown man trying so transparently to strike the forensic pose of a glamorous barrister. No matter how he aged, and there was not now one dark hair on his head, Menzies could never look any grander than a smart-arsed sixth-former. A smart-arsed grammar-school sixth-forme, Adrian thought. He cut a dreadful sort of Enoch Powell figure. A kind of adolescent Malvolio, all elbows and shiny temples. Adrian found Menzies as tiresome as his archetypes; unspeakable to behold, dangerous to discount. Menzies resented his widespread popularity because he felt it sprang from illogical and irrelevant factors like his breath, his voice, his sniffs, his gait, his clothes, his whole atmosphere. For that reason he devoted himself with all the dismal diligence of the dull to giving the world more legitimate grounds for dislike. That, at least, was Adrian’s interpretation. Donald (Trefusis, GvR) always claimed to like the man. If Donal had been present to witness him now, newspaper in hand and destruction in mind, Adrian was sure he would have altered his opinion.

Dan komt Adrian in action. Hij neemt het woord, ook al is hij daar ‘to listen, not to comment‘: ‘Don’t you think, Dr Menzies (…) that the word “criminal” is a bit strong?‘ Menzies reageert uit de hoogte, zoals het een slecht jurist betaamt: ‘Forgive me, Mr Healey, you are the Enlgish student. I am just a lawyer. What on earth would I know about the word criminal? In my profession, out of ignorance no doubt, we use the word to describe someone who has broken the law. I am sure you could entertain us with an essay on the word’s origin that would prove conclusively that a crmininal is some kind of medieval crossbow. For my purposes however, in law, the man is a criminal.’ Onzin, antwoordt Adrian, ‘One crime doesn’t make a criminal. It would be like calling Dr Menzies a lawyer just because thirty years ago he practised briefly at the Bar.’ Menzies wil dat Adrian zijn excuses aanbiedt! ‘I have just been told by a student that I have no right to call myself a lawyer (…) I await an apology.’ Adrian houdt voet bij stuk: ‘Dr Menzies is an academic (…) He is a teacher. I’d have thought that that was quite enough of a profession for one man. I maintain that he is not a lawyer. Law just happens to be the subject he teaches. Dan realiseert Adrian zich dat bij de vergadering camera’s aanwezig zijn van de BBC en zet hij de aanval op Menzies in de ‘overdrive‘, want hij wil niets van de Trefusis affaire op t.v. zien: ‘I’m sorry, Master, but the point is that I won’t sit here and hear my friend insulted, not if the accuser is the Director of Public Prosecutions, the Procurator Pissing Fiscal and the Witchfinder Fucking General all rolled into one.‘ Maar het baat allemaal niet, uiteindelijk heeft Menzies ‘the floor‘ en komt het er uit dat Trefusis schuldig is bevonden aan ‘gross indecency‘: ‘The Professor had been arrested in the Parker’s Piece men’s toilet at three o’clock the previous night. A youth, described as in his late teens, escaped after a struggle with police.’ Daar moet iets aan gedaan worden, declameert Menzies. Adrian beroept zich op onder andere Benson and Hedges, Sellotape, Persil, Nestlés Milky Bar om uitzending te verhinderen. Zo erg is het nu ook allemaal weer niet, bromt de 90-jarige emeritus hoogleraar Adrian Williams: ‘Wittgenstein was a bottomist, they tell me. I read the other day that morgen Forster, you remember Morgan? Next door, at King’s. Wrote A Passage to India and Howard’s End. Wore slippers into Hall once. I read that he was a bottomite too. Extraordinary! I think everyone is now. Simply everyone.‘ Nadat Adrian en Menzies daarop nog een robbertje vechten over de vraag of het geoorloofd is ‘to deficate in public‘, toont Menzies zich genadeloos: ‘Either the law is the law or it is not! If it is your intention to campaign for a change in that law, Healey, very good luck to you. The fact remains that Professor Trefusis has brought into disrepute the good name of this college.’ Adrian’s vragend antwoord zegt genoeg: ‘You never liked him did you? (…) Well, here’s your chance. He’s down. Kick him good and hard.‘ Dus brengt Menzies de schorsing van Trefusis in stemming, maar daar misrekent hij zich: zonder ‘seconder‘ worden geen moties in stemming gebracht.

Do we have a seconder?
BANNING N.V.

Gino van Roeyen

Delen:

Share on linkedin
Share on twitter
Share on facebook
Share on whatsapp
Share on email

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Wageningen University & Research zoekt een

Ook interessant:

Over Mr.

Mr. is hét platform voor juristen. Mr. bericht over actuele zaken in de juridische wereld en belicht en becommentarieert deze vanuit een onafhankelijke positie. Mr. richt zich op alle in Nederland actieve juristen en WO-rechtenstudenten..

Volg MR. op social media

Service menu

Contactgegevens

Uitgeverij Mr. bv
Paul Krugerkade 45
2021 BN Haarlem
Uitgever: Charley Beerman
E-mail: beerman@mr-magazine.nl

Scroll naar top