De collectieve zaak was aangespannen door Bureau Clara Wichmann. Deze stichting vroeg het College om te beoordelen of de Staat vrouwelijke rechters discrimineert met het ‘laatstverdiend salaris’-criterium. Dit criterium hanteerde de Staat sinds 1994 bij het inschalen en belonen van rechters: voor de inschaling wordt dan aangesloten bij het salaris dat iemand verdiende vóór de overstap naar de rechterlijke macht.
Laatste verdiend salaris
Volgens Bureau Clara Wichmann discrimineert dit inschalings- en bezoldigingsbeleid vrouwen, omdat zij gemiddeld een lager laatstverdiend salaris hebben. De Staat is het daar niet mee eens, en spreekt van een beleid dat ‘deugdelijk, transparant en in overeenstemming met sociale partners is gevormd’. Is er wel sprake van een verschil tussen mannen en vrouwen, dan is dat volgens de Staat ‘gerechtvaardigd’.
Ongerechtvaardigde beloningsverschillen
Het ‘laatstverdiend salaris’ criterium biedt volgens het College onvoldoende ruimte voor de waardering van relevante ervaring. Dit zegt weinig over de waarde van de arbeid in de nieuwe functie. Neem een jurist met vijftien jaar werkervaring in de sociale advocatuur en een laag laatstverdiend salaris, en een jurist uit de commerciële advocatuur met zes jaar werkervaring met een hoger laatstverdiend salaris. Het hanteren van dit criterium leidt gemakkelijk tot ongerechtvaardigde beloningsverschillen, aldus het College.
Mannen 3,5 procent meer
Binnen de groep rechters in opleiding is daadwerkelijk sprake van beloningsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen, blijkt uit een rapport: gemiddeld 3,5 procent in het voordeel van mannen. In hogere leeftijdscategorieën wordt het gemiddelde beloningsverschil in het voordeel van de man groter. Daarom oordeelt het College dat er een vermoeden is van indirect onderscheid op grond van geslacht. De Staat is er niet in geslaagd om het vermoeden te ontkrachten.
Na de benoeming
Ook na benoeming tot rechter blijft er een loonverschil, maar dat is klein. Op dit punt worden vrouwen niet gediscrimineerd, althans Bureau Clara Wichmann slaagt er niet in om daarvoor genoeg feiten aan te voeren voor een vermoeden van discriminatie.
Gelijkwaardig werk, minder beloond
Alles opgeteld oordeelt het College dat de Staat vrouwelijke rechters in opleiding heeft gediscrimineerd. In drie individuele gevallen die apart zijn beoordeeld kregen de vrouwelijke rechters minder beloond dan hun mannelijke collega’s voor gelijkwaardig werk. In een geval kreeg een mannelijke rechter maandelijks € 1.914,65 bruto meer dan zijn vrouwelijke collega (voor gelijkwaardig werk) terwijl zij nagenoeg dezelfde werkervaring hadden. De oordelen van het College zijn niet juridisch bindend, waardoor het College de Staat niet kan verplichten om de vrouwelijke rechters te compenseren.
Terugwerkende kracht
Wel heeft de Staat in juli 2024 een akkoord bereikt over een nieuw inschalings- en beloningsbeleid. Dit nieuwe beleid wordt met terugwerkende kracht toegepast vanaf 1 juli 2023. Binnen de rechtelijke macht wordt niet meer gevraagd naar het laatstverdiende loon. Het College vindt dat de Staat om zou moeten onderzoeken of de betrokken rechters financieel kunnen worden gecompenseerd.
Sectoroverleg
Erkenning en compensatie van de groep rechters en officieren in opleiding staat ook bij de NVvR hoog op de agenda. Maar gesprekken binnen het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM) hebben nog niet tot resultaat geleid. De NVvR verwacht dat dit in het komend SORM weer wordt besproken. De NVvR kijkt ook met belangstelling naar de stemming over het amendement van Kamerleden Ellian (VVD), Sneller (D66) en Straatman (CDA), waarin eveneens wordt opgeroepen tot erkenning en compensatie van de betrokken vrouwelijke rechters.
