Ruim vijftien jaar geleden veranderde Uber stapsgewijs via technologie de taxiwereld. Eerst door taken rondom een taxirit te automatiseren. De app koppelt klant en chauffeur rechtstreeks aan elkaar en neemt functies over rond het boeken van een rit, de route, betaling en beoordeling. Een deel van het werk dat voorheen door verschillende mensen en organisaties werd gedaan, is vervangen door technologie. Inmiddels kun je in verschillende Amerikaanse steden via het platform zelfs kiezen voor een taxi zonder een menselijke chauffeur. De kerntaak, het rijden zelf, is ook geautomatiseerd. Begin september verscheen ook de Cybercab van Tesla op de Amerikaanse wegen. Met de Cybercab, ook een zelfrijdende taxi, verandert ook het ontwerp van de auto zelf. Doordat er geen menselijke bestuurder meer is, heeft Tesla een taxi zonder stuur, spiegels en gas- en rempedalen gebouwd.
Dat is juridisch nog wel een dingetje overigens, maar in deze column wil ik juist focussen op wat er bij een product of dienst nou echt noodzakelijk is. Wat kan misschien weg en wat kan er juist bij? Iedereen weet dat het marmer en de havermoutcappuccino bij een advocatenkantoor niet noodzakelijk zijn voor zorgvuldige juridische dienstverlening, maar wat dan wel? Een kantoor? Een contract van vijftig pagina’s? Een intakegesprek? Een uurtarief? Een advocaat?
Als we juridische dienstverlening vandaag opnieuw zouden ontwerpen, met de technologie die we nu hebben, zouden we dan nog een advocatenkantoor bouwen? Welke rol willen we daarin voor de jurist behouden? En wie hebben we nog meer nodig?
Technologie waar juristen het nu mee moeten doen
Een deel van de technologie die het werk van juristen nu verandert, is niet door juristen ontworpen. Anthropic, OpenAI, Microsoft en Google bepalen voor een belangrijk deel welke AI-mogelijkheden beschikbaar komen en hoe die in onze werkomgeving worden geïntegreerd. Een ander deel wordt wel samen met juristen ontwikkeld, maar dat speelveld is enorm versnipperd. Honderden aanbieders bouwen toepassingen voor juridisch onderzoek, contracten, documentanalyse en juridisch advies. Er wordt dus op allerlei plekken aan hetzelfde juridische AI-wiel gebouwd, terwijl het nog moeilijk te voorspellen is welke van deze toepassingen over twee jaar nog bestaan.
Wat mij daarin vooral bezighoudt, is dat we als juristen nauwelijks grip lijken te hebben op waar we naartoe bewegen. Welke problemen willen we met technologie oplossen? Welke onderdelen van juridische dienstverlening willen we automatiseren? Welke willen we anders ontwerpen? En welke waarden willen we daarin behouden of juist versterken? Daar wringt het voor mij. Veel technologie die het werk van juristen moet ondersteunen, is ontworpen vanuit waarden als snelheid, schaalbaarheid en efficiëntie. Juridische dienstverlening draait ook om andere waarden: zorgvuldigheid, vertrouwelijkheid, onafhankelijkheid, rechtsbescherming en toegang tot het recht. Bij het ontwerpen van legal AI zouden ook deze waarden het uitgangspunt moeten zijn. Juristen moeten niet alleen aan het einde van het proces toetsen of technologie juridisch door de beugel kan, ze moeten aan het begin mee kunnen bepalen wat er wordt ontworpen. Daarvoor moeten juristen wel begrijpen wat technologie kan.
De jurist van de toekomst opleiden
En daar ligt een belangrijke taak voor het juridisch onderwijs. Terwijl nu veel tijd wordt besteed aan de discussie over AI, verandert de juridische praktijk. Bijna vier jaar nadat studenten ChatGPT gingen gebruiken, moet die discussie ook leiden tot concrete hervormingen in het juridisch onderwijs. Een vak Legal Technology of een gespecialiseerde master is daarvoor onvoldoende. De praktijk waarvoor we studenten opleiden is veranderd en AI heeft ook de manier waarop studenten leren veranderd. Het is aan het onderwijs om hen voor te bereiden op een juridische praktijk waarin AI een steeds grotere rol speelt. En laten we de lat alsjeblieft wat hoger leggen: we moeten studenten leren de toekomstige juridische praktijk mede vorm te geven. Juist studenten hebben de energie, idealen en nieuwsgierigheid om zich af te vragen hoe juridische dienstverlening eruit zou moeten zien. En daar ligt wat mij betreft een taak voor het onderwijs: als we willen dat de jurist van betekenis blijft, moeten we hem of haar ook leren samenwerken met andere disciplines.
De jurist als co-piloot
De jurist die technologie begrijpt, die AI-geletterd is, heeft niet direct invloed op de manier waarop AI juridische dienstverlening verandert. AI-geletterdheid is dus wel een voorwaarde om mee te kunnen sturen, maar geen garantie dat je ook daadwerkelijk invloed hebt. Je kunt als jurist bijvoorbeeld uitstekend begrijpen hoe Copilot werkt, de risico’s herkennen en weten welke waarden belangrijk zijn, maar als Microsoft bepaalt hoe het product is ontworpen, welke modellen beschikbaar zijn, hoe het integreert met je werkomgeving en welke keuzemogelijkheden je hebt, dan is je handelingsruimte beperkt. En juist daar maak ik mij zorgen over. We integreren AI steeds verder in de systemen waarin we dagelijks werken. Je kunt AI steeds verder toegang geven tot je documenten, e-mails, kennis en werkprocessen, bijvoorbeeld via Microsoft Copilot, agentic AI en verschillende specifieke legal AI-toepassingen. Hoe meer AI onderdeel wordt van ons werk, hoe belangrijker de vraag wordt: hoeveel keuzevrijheid behouden we zelf? Want wie is nu de co-piloot: de jurist als gebruiker van AI of de bedrijven achter de AI-toepassingen? Wie stuurt wie?
Hoe vrij is onze keuze voor AI nog?
Hoe meer AI verweven raakt met ons werk en leven, hoe relevanter de vraag wordt of we nog zonder kunnen. Welke data deel je, wat deel je niet en ook de keuze om géén AI in te zetten, moet een reële keuze blijven. Over die voorwaarden moet je nadenken voordat je afhankelijk bent geworden van een bepaalde AI-toepassing waardoor je zelf niet meer echt vrij kunt kiezen. Zoals bij iedere relatie is het verstandig om vooraf na te denken over de voorwaarden waaronder je die aangaat. Ik vergelijk dat graag met huwelijkse voorwaarden. De vergelijking met het huwelijk is minder vergezocht dat je denkt en ik leg uit waarom. Met een huwelijkspartner deel je veel, dat kan gaan om een huis, geld, bezittingen, schulden en kinderen. Met AI delen we inmiddels ook behoorlijk veel van onze wereld: onze vragen en ideeën, maar ook steeds vaker documenten en e-mails, interne kennis, klantinformatie en soms complete werkprocessen. In Nederland trouw je sinds 2018 standaard in beperkte gemeenschap van goederen. We vinden het heel normaal om vooraf afspraken te maken over wat we delen, wat van ons blijft en wat er gebeurt als we uit elkaar gaan. Waarom zouden we bij AI minder zorgvuldig omgaan met een relatie waarin we zoveel delen? Ook bij AI kun je vragen stellen als: wat deel ik, wat blijft van mij en wat gebeurt er met de kennis en data als ik met een andere tool wil werken of besluit om niet meer met AI te werken? Als morgen een beter, veiliger of beter passend alternatief beschikbaar komt, wil ik daarnaar kunnen overstappen. En dat klinkt vanzelfsprekend, maar hoe verder AI-toepassingen verweven raken met onze documenten, kennisbanken en (werk)processen, hoe moeilijker het overstappen of stoppen kan worden.
Wie bouwt de juridische dienstverlening van de toekomst?
Kunnen kiezen welke technologie we gebruiken is belangrijk, maar minstens zo belangrijk is welke rol juristen hebben bij het herontwerp van hun dienstverlening. Wat hebben mensen nodig om hun juridische problemen te voorkomen of op te lossen? Welke rol kan technologie daarin spelen? En welke rol vraagt om een jurist? Die vragen kunnen juristen niet alleen beantwoorden. Daarvoor hebben we ook ontwerpers, engineers en data scientists nodig, plus de mensen voor wie we juridische dienstverlening ontwerpen. Juist waar die perspectieven samenkomen, kunnen we bepalen welke juridische dienstverlening we met AI willen bouwen en welke niet.
Uber en Tesla laten zien hoe technologie bestaande dienstverlening ingrijpend kan veranderen. Wachten we af hoe Big Tech de juridische dienstverlening vormgeeft, of ontwerpen we die toekomst zelf?
