De Grote Kamer deed op 23 september uitspraak in de zaak Kuijt tegen Nederland.
Het gaat in deze zaak om de inzet van zogeheten ‘reservisten’ bij de Hoge Raad: raadsheren die niet formeel aan een zaak zijn toegewezen, maar wel deelnemen aan beraadslagingen. De Hoge Raad vindt de inzet van reservisten, die niet mogen mee stemmen over een zaak, wenselijk in het kader van rechtseenheid.
Aangifte en wrakingsverzoek
Op de reservistenpraktijk, die al tientallen jaren wordt toegepast, bestaat al langere tijd kritiek. Zo deed oud-hoogleraar Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira in 2017 aangifte tegen een aantal raadsheren wegens een ambtsmisdrijf: het mee-beraadslagen zou neerkomen op een schending van het beroepsgeheim. De aangifte werd geseponeerd.
In 2018 was de inzet van ‘reservisten’ voor strafrechtadvocaat Willem Jebbink (Jebbink Soeteman Advocaten) reden om in de zaak-Kuijt − die in 2015 tot twee weken cel werd veroordeeld na het verstoren van een gemeenteraadsvergadering − een wrakingsverzoek in te dienen tegen elf raadsheren. Toen dat op niets uitliep begon Jebbink in 2020 namens Kuijt een procedure bij het Europese Hof.
Recht op eerlijk proces
De inhoudelijke behandeling van de zaak vond in januari van dit jaar plaats. Jebbink betoogde bij de Grote Kamer onder meer dat de werkwijze die de Hoge Raad erop nahoudt in strijd is met artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces. Een wettelijke grondslag voor de deelname van reservisten ontbreekt volgens hem, waardoor niet wordt voldaan aan het vereiste van een bij wet ingesteld gerecht.
Bevoegdheid wrakingskamer
In haar uitspraak heeft het EHRM de klacht niet ontvankelijk verklaard, omdat klaagster niet alle nationale rechtsmiddelen heeft benut. Het Hof legt daarbij uit dat de wrakingskamer, die bekeek of de reservistenpraktijk afbreuk deed aan de onpartijdigheid van de raadsheren, gemotiveerd heeft geconcludeerd dat dat niet het geval was. Maar de overige bezwaren, betrekking hebbend op de onafhankelijkheid van de raadsheren en het uit artikel 6 EVRM volgende vereiste van een ‘bij wet vastgesteld college’, vielen buiten de bevoegdheid van de wrakingskamer. Het Hof oordeelt dat deze kwesties in het hoofdgeding van de cassatieprocedure aan de orde hadden moeten worden gesteld.
Zorgvuldige beoordeling
Het Hof noemt het onbevredigend dat de Hoge Raad nooit de gelegenheid heeft gekregen zich over de bezwaren uit te spreken, zeker nu het gaat om een klacht over een alom bekende en langdurige praktijk die wordt gehanteerd om uniforme rechtstoepassing te waarborgen. Tegelijkertijd benadrukt het Hof dat de ernstige zorgen over de reservistenpraktijk een zorgvuldige beoordeling door de Hoge Raad verdienen.
Prejudiciële vragen
Jebbink heeft de Hoge Raad kort na de uitspraak van het EHRM verzocht zich over de reservistenpraktijk te buigen. Hij heeft de Hoge Raad opgeroepen hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen, en, zo nodig, een ‘advisory opinion’ te vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De kwestie is in twee zaken voorgelegd aan de Hoge Raad in een cassatieschriftuur, als ‘beschouwing vooraf’.
Geen rechter in eigen zaak
Aangezien de reservistenregeling is ontworpen door de Hoge Raad zijn Jebbink en D’Oliveira, die de kwestie samen behandelen, er in de Straatsburgse zaak van uitgegaan dat de Hoge Raad niet zelf over zijn eigen onafhankelijkheid kan oordelen, aldus Jebbink in een toelichting. “Artikel 13 EVRM eist als effectief rechtsmiddel toetsing door een onafhankelijke instantie. Decennia geleden oordeelde het Europees Hof al dat zo’n instantie niet judge in his own cause kan zijn. Dat alleen al noopt, geloof ik, tot het stellen van vragen aan het Hof van Justitie.”
Pleidooi
Jebbink heeft de Hoge Raad ook verzocht om in deze zaken een pleidooi te mogen houden – iets dat zelden gebeurt in cassatiezaken. “Justice needs to be seen to be done, juist in deze delicate kwestie.”
Dit artikel is op 28 september uitgebreid, nadat bekend werd dat de kwestie aan de Hoge Raad is voorgelegd.
