Tjeenk Willink: ‘Rechters, verzet u tegen beheersmatig denken’

Delen:

Herman Tjeenk WillinkDoor de ‘verbestuurlijking’ van de rechterlijke macht, aangejaagd door de Raad voor de rechtspraak, dreigt het evenwicht tussen politiek, bestuur en rechter verder uit het lood te worden geslagen. Rechters moeten zich bewuster worden van hun rol binnen de constitutie. Herman Tjeenk Willink, oud-vicepresident van de Raad van State, roept in een interview met Mr. dat aanstaande vrijdag verschijnt, op tot verzet tegen het beheersmatig denken.

Herman Tjeenk Willink vindt het opmerkelijk dat bij geen van de reorganisaties van de rechterlijke macht in de afgelopen dertig jaar “de inhoud van de rechterlijke functie en de veranderende rol van het recht in de maatschappij het ijkpunt vormde. Daardoor ontbreekt ook een tegenwicht tegen het beheersmatige denken waarin de Raad voor de rechtspraak een belangrijk aandeel heeft.”
Hij is weinig enthousiast over de Raad voor de rechtspraak. “De bedoeling was dat de Raad voor de rechtspraak de gerechten zou vertegenwoordigen bij de minister, maar door zijn beheersmatige taak – de verdeling van het geld en het toezicht op de bedrijfsvoering – werd de Raad vooral de plaatsvervanger van de minister tegenover de rechters. Een heel andere positie dan de judicial councils in andere landen. Deze Raad had er niet moeten komen, vond ik in 2002 en vind ik nu nog.”

Leeuwarder manifest

Tjeenk Willink sluit in zijn kritiek op de Raad voor de rechtspraak aan bij het Leeuwarder Manifest, dat in december 2012 door zeven raadsheren werd opgesteld en binnen enkele dagen was ondertekend door ruim vijfhonderd rechters. Daarin staat dat zij zich niet vertegenwoordigd voelen door de Raad voor de rechtspraak, uiten zij kritiek op de benoemingsprocedure van gerechtsbestuurders en vinden zij dat de rechtspraak een bedrijf is geworden waar productiecijfers leidend zijn. Tjeenk Willink was “verheugd” over dat manifest, omdat rechters eindelijk zeiden: zo gaat het niet langer. Maar hij was echter ook bezorgd omdat hun protest in hetzelfde frame was gegoten: de discussie ging over minder werkdruk en meer geld. De discussie had wat hem betreft moeten gaan over de inhoud van de rechterlijke functie. “Het manifest heeft tot nu toe dan ook weinig opgeleverd. Doordat een inhoudelijk tegenwicht ontbreekt gaat de ‘verbestuurlijking’ gewoon door”. De gerechten worden groter vanuit de vooronderstelling dat dat beter en goedkoper is. In andere sectoren komt men daarvan juist terug. Het besef dat het rechterlijk proces dicht bij de burger ook zijn eigen, rituele betekenis heeft, vervaagt. Door de schaalvergroting worden presidenten vooral bestuurders. ‘De president in kort geding’ is een uitstervend ras. Meer zaken worden door één rechter of verkort afgedaan. Vonnissen worden vaker beperkt gemotiveerd. De afdoening via het Openbaar Ministerie, een lichaam met inmiddels drie petten, groeit. Er komt vaak geen jurist meer aan te pas. Informatisering, die ook altijd standaardisering inhoudt, staat op gespannen voet met wat toch een essentieel element in de rechtspraak vormt: het specifieke van het individuele geval. Min of meer ongemerkt wordt het uitgangspunt dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld omgedraaid: gelijke behandeling vraagt gelijke gevallen. En daarmee ontspoort het systeem, zoals onlangs ook de Nationale Ombudsman constateerde. Dat tast het vertrouwen in de rechtstaat aan. Dat mogen magistraten, zittend en staand, niet accepteren.”

Ervaringen uitwisselen

Op de vraag wat er dan zou moeten gebeuren om dit tegen te gaan is het antwoord van Tjeenk Willink: “Allereerst moet bij rechters het besef verder doordringen dat het inhoudelijke tegenwicht tegen de verbestuurlijking van henzelf moet komen. Het gaat om de inhoud van hún functie en hún gemeenschappelijke opvatting daarover in een rechtstaat die altijd een rechtstaat to be is, steeds in ontwikkeling, nooit af. Daarom moet er binnen de gerechten meer ruimte komen voor het uitwisselen van ervaringen over de invulling van die functie in de dagelijkse praktijk, over controversiële casus waarin rechters een besluit moeten nemen, over de (morele) dilemma’s waarvoor ze staan, over opmerkelijke vonnissen van collegae – het Urgenda-vonnis is een recent goed gemotiveerd voorbeeld – en over de gevolgen van hervormingsmaatregelen voor de inhoud van hun dagelijkse werk. De praktijk laat zien dat dergelijke intercollegiale discussies vruchtbaar zijn als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Het doel moet duidelijk zijn, een goede inhoudelijke voorbereiding is nodig, de relatie tussen concrete inhoudelijke problemen waarmee individuele rechters worstelen en de bredere context waarbinnen de rechterlijke macht heeft te opereren moet worden bewaakt, de (gebundelde) uitkomsten moeten als nuttig worden ervaren, de discussies moeten geen ‘incident’ zijn.”

Lees het gehele interview met Herman Tjeenk Willink in het nieuwe nummer van Mr. dat vrijdag 11 december verschijnt.

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Scroll naar boven