Zijn Rotterdamse kantoor Luscuere Wernsing Advocaten (drie advocaten) is ‘gemengd’: ze doen toevoegingen én betaalde opdrachten. Cliënten zijn werkgevers die te maken hebben met expats, kennis-, arbeids- en andere migranten, en werknemers die een verblijfsvergunning nodig hebben of familie willen laten overkomen. Dit soort klussen heeft het kantoor gedaan voor meer dan 165 nationaliteiten.
Vooroordelen
Deels bevindt medenaamgever Julien Luscuere (1971) zich in de sociale advocatuur en graag wil hij de vooroordelen wegnemen die rond zijn werk kleven, zegt hij. De sociale advocatuur is ruim 25 jaar zijn forte. Hij doet dit niet alleen vanuit morele principes. “Ook vanuit de notie dat je alleen een sterke samenleving en een sterke economie kunt bouwen als die niet van oneerlijkheid uit elkaar vallen. Dat is ook in het belang van mensen die wat rechtser in het politieke spectrum staan.” Luscuere was tijdens zijn studie vrijwilliger bij de Rotterdamse rechtswinkel. Hij was bijna zeven jaar secretaris van de Stichting Migratierecht Nederland en ruim negen jaar bestuurslid, waarvan drie jaar voorzitter, van de SVMA, de specialistenvereniging migratierechtadvocaten.
Persoonlijke communicatie
Sociale advocatuur heeft ook een ander imago: dat zaken niet zo ingewikkeld zijn. Een huurkwestie is toch wat anders dan het ‘echte’ werk, zoals omvangrijke fusies en overnames waar de Zuidas in grossiert. Het is het type werk waarvan de politiek zegt: als de grote kantoren nou eens tien procent van hun zaken op toevoegingsbasis doen, dan is het probleem van de sociale advocatuur opgelost.
Andere dynamiek
Dáár kan Luscuere goed kwaad om worden. “Ik doe beide en weet dus dat werken als sociaal advocaat een totaal andere dynamiek kent. In Den Haag denken ze: je bent jurist en hebt dus hetzelfde gereedschap. Heel storend, die beeldvorming. Negentig procent van mijn werk is communicatie. Praat je met een arbeidsmigrant, dan heb je een totaal andere toolkit nodig dan als je praat met iemand op HR-niveau die verantwoording moet afleggen aan de directie. Heb je als advocatenkantoor alleen maar het MKB of het grootbedrijf als cliënt gehad, dan gaat het je niet lukken om toevoegingsklanten met dezelfde instelling en kwaliteit bij te staan.”
Daklozenopvang
Als een cliënt tegen een sociaal advocaat zegt dat hij zijn mail niet goed begrijpt, dan snapt die: dit is een codewoord voor laaggeletterdheid. “Een commercieel advocaat gaat die mail nog eens voorlezen, maar mist dat dit de cliënt structureel niet verder helpt. Persoonlijke communicatie is nodig om in te schatten wat er is gebeurd. Doe je dat in het begin intensief en uitnodigend, dan gaat de zaak daarna zo veel makkelijker en zie je je client echt groeien.” Daarom zie je Luscuere op bouwplaatsen of bij de daklozenopvang in de Pauluskerk – tot vorige zomer de directe buurman van Luscueres vorige kantoor. Maar ook ontvangt hij cliënten in zijn eigen kantoor: zo ingericht dat ‘iedereen’ er zich thuis voelt. Geen glazen paleis, wel naoorlogse bouw die begint op te raken en over enkele jaren tegen de vlakte gaat.
Dedain
De Haagse instelling stoort hem ook om een andere reden: er gaat een soort dedain vanuit. “De sociaal advocaat moet worden gekoppeld aan een advocaat van een groot kantoor, alsof de grote broer op zijn knieën gaat om dat kleine ventje of meisje te helpen. Ik zeg dan – sorry voor het woordgebruik – fuck you!, weet je wel hoe ingewikkeld ons werk is? Ga maar eens het gesprek aan met cliënten over hun armoede, laaggeletterdheid, opleidingsachterstanden en cultuurverschillen. Of met mensen die bang zijn hun verblijfsvergunning te verliezen en daarom niet klagen als ze worden onderbetaald. Gelukkig kan iedere advocaat dit vak leren. Ik zeg: dóé dat dan ook, het is ontzettend mooi als je iemand in de penarie helpt naar herstel en groei.”
Te ‘aktivisties’
Het was de Amerikaanse tv-serie LA Law die Luscuere eind jaren tachtig richting rechtenstudie voerde. Machtig mooi vond hij dat werk op advocatenkantoren, binnen één aflevering werd de zaak opgelost met een sprankelend pleidooi. Op de universiteit volgt hij vooral avondcolleges, om de massaliteit te ontlopen – een beslissend moment in zijn leven, zegt hij. Tijdens zo’n avondcollege staat er een informatiekraam van de rechtswinkel. Het tweede deel van het college laat hij schieten, hij meldt zich aan en werkt vervolgens zijn gehele studie als vrijwilliger bij de rechtswinkel, twintig, dertig uur per week. Huurrecht, arbeidsrecht, jeugdrecht, sociale zekerheid, consumentenrecht, alles passeert de revue en legt bij Luscuere de basis als sociaal advocaat.
U noemt uzelf op LinkedIn ook ‘legal innovator’ en ‘changemaker’. Wat bedoelt u daarmee?
“Als ik het zo hoor klinkt het wel pretentieus. Het is in elk geval mijn ambitie sinds de afgelopen vijf jaar. Misstanden blootleggen, precedenten creëren. Eventueel met collectieve acties, als het de zaak zelf maar overstijgt. Zo heb ik regelmatig met de IND contact over zaaksoverstijgende kwesties, dat had ik ook al toen ik voorzitter was van de specialistenvereniging voor migratierechtadvocaten. Overheidsinstellingen hebben een aangeboren vooringenomenheid, ze houden informatie van burgers af en pakken door zonder echt te luisteren omdat dit anders hun overzicht en de interne processen verstoort. Dat zie je veel in het migratierecht. Maar met de IND, toch mijn natuurlijke tegenstander, heb ik tegenwoordig een echte dialoog. In het vreemdelingenrecht worden de belangen vaak gepolariseerd, maar je kunt beter zoeken waar voor beide kanten de winst ligt. Als ‘changemaker’ probeer ik te komen tot een paradigmashift. Mensen moeten niet te lang gevangen blijven in hun eigen gelijk. Het is beter om samen op te trekken, zeker waar je hetzelfde wilt bevorderen, zoals het welzijn van arbeidsmigranten. Maar dat vergt wel veel aandacht en tijd: contact zoeken met ambtenaren, hoogleraren en maatschappelijke instellingen, en ook notities schrijven en subsidies aanvragen. Maar anders dan met een enkele zaak levert dit een veel hoger rendement op.”
Juridische gereedschapskist
Bij Luscuere staat de mens achter de cliënt centraal, altijd. “Ik begeleid regelmatig zorginstellingen die verpleegkundigen uit Azië halen om tekorten in onze zorg op te lossen. Juridisch lastig, maar wel te doen en de werkgever is er blij mee. Maar míjn vraag is dan óók: wie zijn de mensen achter deze functies? Sommigen willen hier een paar jaar werken en gaan dan terug. Anderen hadden een verschrikkelijke tijd in hun herkomstland en willen per se weg, waarnaartoe maakt niet uit. Weer anderen hebben niets met de zorg, maar weten wel dat ze daardoor makkelijk een baan vinden. Als je dat vooraf niet goed in kaart brengt, en daar geen oog voor hebt als ze in Workum ouderen verzorgen, kan die inzet heel teleurstellend uitpakken, wat er ook in je juridische gereedschapskist zit.”
Dit is een verkorte versie van het interview dat in het nieuwe nummer van Mr. staat. Het is hier alvast te bekijken (alleen voor betalende abonnees).
