Gefeliciteerd met deze mooie stap. Wilde u altijd al dominee worden, of is het een ambitie die op een zeker moment is ontstaan?
“Dank! Het voelt inderdaad als een mooie en ook goede stap. In zekere zin vallen er nu allerlei dingen op hun plaats. Nadat ik tijdens mijn studententijd in Leiden mijn geloof opnieuw mocht vinden, is het predikantschap altijd ergens een achterdeurtje gebleven. Ook vond ik de theologie interessant, vooral om eerlijk te onderzoeken of de Bijbel tegen een stootje kan. Toen ik na m’n veertigste het avontuur daadwerkelijk aanging door te gaan studeren, heb ik dat ook zo ervaren. Gaandeweg groeide ik ook meer naar het ambt toe. Daarbij hielp ook dat ik na mijn afstuderen vier jaar lang vaak ben voorgegaan in allerlei kerkdiensten.”
In 2021 voltooide u uw studie theologie. Heeft die studie u ook veranderd als advocaat?
“Ik denk het wel. Vooral het persoonlijk uitdagende onderdeel van de studie heeft me het nodige gebracht. Ik merk dat ik die vaardigheden goed kan gebruiken in mijn werk als advocaat, maar ook als managing partner. Wat gebeurt er nu echt tijdens een gesprek? Wat is de onderstroom? Wat doet mijn aanwezigheid en inbreng met een ander? Wat is de (groeps)dynamiek?”
U bent al bijna dertig jaar advocaat. In hoeverre heeft dat u voorbereid op het predikantschap? Wat neemt u mee uit uw juridische praktijk naar uw positie als dominee?
“Vooral het werken in een ‘zijnsberoep’, met het besef dat integriteit geen bijzaak is, maar de kern. Dat vraagt om zorgvuldigheid, toegankelijkheid, discretie, moed en eerlijkheid. Die houding hoop ik ook mee te nemen naar het predikantschap.
Daarnaast heeft de advocatenpraktijk mij geleerd om goed te luisteren naar verschillende kanten van een verhaal en te proberen ook de brug te zijn naar dat andere verhaal dat daar tegenover staat. Zeker in mijn rol van predikant-vernieuwer gaat het niet om snelle oplossingen of grote woorden, maar om eerst op te halen wat er leeft en wat nodig is.”
Onlangs zei u in een interview dat u mensen recht wilt doen, via juridische of theologische weg, en dat dat voor u in essentie hetzelfde is. Waarom is dat in uw ogen vergelijkbaar?
“De kern van het leven is voor mij elkaar werkelijk ontmoeten. In de juridische praktijk probeer je mensen recht te doen door hun positie goed te begrijpen, hun belangen serieus te nemen en hen te helpen een uitweg te vinden, in of buiten de rechtszaal. In de theologie gaat het uiteindelijk ook om recht doen: aan God, aan de ander, aan het verhaal van mensen met God en met elkaar; het unieke van de verzoening, het opnieuw mogen beginnen ondanks je falen.”
Welke Bijbeltekst zou iedere jurist volgens u moeten lezen, kennen of toepassen?
“Micha 6:8 komt dan bij mij boven, een tekst die ik aan het begin van een kerkdienst ook vaak voorlees: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.” Jezus sluit in de omgang met de wetgeleerden, met wie Hij het overigens vaak aan de stok had, ook aan bij deze profetische tekst. En dan spreekt de dominee even: voor ons juristen is misschien vooral nederig het belangrijkste. We werken in een krachtenveld waar mensen soms vermalen worden. Dan moeten wij als gidsen ons vooral niet al te serieus nemen, maar dienend en toegankelijk zijn.”
En andersom: welk wetsartikel zou u bij wijze van spreken eens in een preek kunnen gebruiken?
“Als (hoofdzakelijk) civiel advocaat kom ik dan uit bij artikel 6:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek: “Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.” Een prachtig open(ende) norm. Soms werkt het in de kerk namelijk zo dat conflicten met de Bijbel in de hand juist verdiept worden. Ik ben zelf ook voorzitter van een kerkelijk rechtsprekend college en wij moeten kerkleden soms echt van Bijbelteksten afhouden, om ‘gewoon’ elkaars belangen te laten inzien.”
Welk boek las u het laatst?
“Echo’s van het goede nieuws van prof. Geurt Hein van Kooten. Dat is het boek waar ik nu ook samen met mijn twee collega’s op Noord-Beveland de tanden in heb gezet. Hij is de tweede Nederlander (Erasmus was de eerste) die de prestigieuze leerstoel Lady Margaret’s Professorship of Divinity bekleedt in Cambridge. Het mooie is dat hij in het krachtenveld van de wetenschap frank en vrij onderzoek doet naar de betrouwbaarheid van de Bijbelse biografieën over Jezus. Hij doet dat interdisciplinair en met een open blik naar de samenleving van toen en van nu. Een houding die mij hoopvol stemt en die ik ook herken bij de naar zin zoekende postmoderne mens van nu.”
Wie of wat is in uw juridische carrière uw bron van inspiratie?
“Dat zijn toch vooral je collega’s met wie je dagelijks optrekt en die je uitdagen, maar ook opvangen. Het vak van advocaat is in essentie eenzaam en daarom geven gezamenlijke voorbereiding, sparren en napraten mij de inspiratie om niet te verkokeren en andere perspectieven te blijven zien. En de liefde voor de overheidsaansprakelijkheid heb ik aan mijn juridische leermeester prof. Thijs Drupsteen te danken.”
Met welke historische figuur zou u graag eens in gesprek gaan?
“Met Dietrich Bonhoeffer, die als theoloog betrokken was bij de samenzwering tegen Hitler en daarvoor ook de doodstraf kreeg. Hij was overtuigd pacifist, maar stelde zich de vraag wat verantwoordelijkheid betekent in een tijd waarin wegkijken het gemakkelijkste was. Vanuit zijn dodencel verleende hij pastorale bijstand aan zijn bewakers. Ik zou hem willen vragen hoe je dan moed houdt, hoe je trouw blijft aan je geweten, toch dichtbij de mensen blijft en hoe je voorkomt dat je theologie niet bij mooie woorden blijft.”
Als u het voor het zeggen had, dan…?
“Ik weet niet of dat nu zo’n goed idee is, maar oké, als het zou moeten: elkaar meer bevragen op Micha 6:8 jo. art. 6:2 lid 1 BW.”
