Onderzoek naar lek vooral staatsrechtskwestie

Delen:

Beeld bij CIVDMet het onderzoek naar het lek uit de commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CIVD) begeeft de Tweede Kamer zich op een onbekend terrein: nooit eerder werd een minister of Kamerlid vervolgd voor een ambtsmisdrijf. Staatsrechtsjuristen zullen er naar verwachting meer lol aan beleven dan strafrechtspecialisten.

Voorbeelden van Kamerleden en ministers die binnen hun functie wellicht over de schreef gingen zijn er genoeg, zegt professor Paul Bovend’eert. “Er zijn meerdere incidenten geweest die de vraag oproepen of er sprake is van een ambtsmisdrijf,” meent Bovend’eert die hoogleraar staatsrecht is aan de Radboud Universiteit. Hij noemt het bekende voorbeeld van minister Abraham Kuyper in de lintjesaffaire uit 1903 (toekenning van een Koninklijke onderscheiding in ruil voor een bijdrage aan de ARP-partijkas). “Ook minister Henk Vredeling zou in de fout zijn gegaan door zonder exportvergunning wapens aan Israel te leveren.” En minister van Justitie Benk Korthals werd er in het Nederlands Juristenblad van beschuldigd willens en wetens de wet te overtreden door opdracht te geven tot een experiment met preventief fouilleren, hoewel dat nog bij wet verboden was.

Bovend’eert gooide zelf de knuppel in het hoenderhoek toen het CDA-Tweede Kamerlid Pieter Jan Biesheuvel binnen het reguliere strafrecht werd beschuldigd van belastingfraude. Bovend’eert schreef toen dat Biesheuvel vervolgd had moeten worden wegens een ambtsmisdrijf, omdat hij als Kamerlid neveninkomsten had verzwegen. Dat gebeurde niet, de zaak werd geseponeerd.

Ook later hebben mensen geprobeerd om politici vast te pinnen op ambtsmisdrijven. Na de Schipholbrand wendden burgers zich vergeefs tot de Hoge Raad met het verzoek om de ministers Donner en Dekker te vervolgen. Onlangs haalde Bram Moszkowicz nog de pers met zijn aangifte tegen het kabinet, dat de veiligheid van Nederland in gevaar zou brengen door grote groepen asielzoekers binnen te laten. “Die man is minder spitsvondig dan we misschien dachten. Hij deed aangifte bij het OM, maar hij had bij de Tweede Kamer moeten zijn.”

De overeenkomst tussen al deze zaken is dat ze uiteindelijk, eerder uit politieke dan juridische drijfveren, niet tot vervolging hebben geleid. In een ver verleden heeft de Hoge Raad wel strafzaken behandeld tegen een minister en Eerste Kamerlid, blijkt uit de website van Parlement & Politiek. De minister was G.Ch.C. Pels Rijcken die op 9 januari 1868 werd veroordeeld tot een boete van tien gulden of een dag gevangenisstraf vanwege overtreding van een veterinaire wet. Hij had zijn hond los laten lopen in een gebied waar dat vanwege de veetyphus verboden was. In 1880 werd Eerste Kamerlid (en beruchte havenbaron) Lodewijk Pincoffs door de Hoge Raad bij verstek veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en fraude. Hoewel het hier niet om ambtsmisdrijven ging, kwamen de zaken toch bij de Hoge Raad terecht op basis van de Grondwet van 1815 die alle misdrijven van ministers en Kamerleden nog onder de jurisdictie van de Hoge Raad bracht. Pas in 1855 werd de Wet op de Ministeriële Verantwoordelijkheid ingevoerd op basis waarvan de Tweede Kamer het onderzoek naar het lek is gestart. In die wet staat niet met zoveel woorden dat de procedure bij ‘den Hoogen Raad’ exclusief is bedoeld voor ambtsmisdrijven, maar dat is in latere jaren wel de heersende opvatting geworden.

Waarom Pels Rijcken en Pincoffs desondanks voor ‘gewone’ misdrijven door de Hoge Raad werden berecht, kan historicus Bert van den Braak van documentatiecentrum Parlement & Politiek niet uitleggen. “Deze regeling is altijd met zeer veel onduidelijkheid omgeven,” zegt Van den Braak.

De historicus is van mening dat de Kamer met het instellen van de onderzoekscommissie ‘een onbegaanbaar pad’ op gaat. Hij twijfelt of het lek uit de commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten het ambtsgeheim heeft geschonden. “Het verbod op lekken is namelijk nooit bedoeld om de Kamer het recht te ontnemen beleidsmatig te toetsen. Het gaat om de operationele zaken: die moeten geheim blijven. Het is maar de vraag of de metadata daar onder vallen.” Van den Braak noemt dit daarom een grensgeval. Als voorzitter Halbe Zijlstra van de CIVD aan Van den Braak om advies had gevraagd, had hij een andere route aangeraden: die van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. Overigens beveelt staatsrechtgeleerde Aalt Willem Heringa in het Financieele Dagblad van maandag een derde marsroute aan: de Kamer had de opsporing gerust aan de Rijksrecherche kunnen overlaten en vervolgens het resultaat aan de procureur-generaal van de Hoge Raad presenteren.

De onderzoekscommissie vloeit voort uit artikel 119 van de Grondwet en krijgt de bevoegdheden van een enquêtecommissie. Mocht de Kamercommissie een schuldige aanwijzen, dan is de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 483 lid 3 Wetboek van Strafvordering verplicht onmiddellijk tot vervolging over te gaan. De berechting gebeurt door de Hoge Raad.

De fractievoorzitters die binnenkort gehoord worden door de onderzoekscommissie van de Tweede Kamer staan onder ede, en moeten dus de waarheid spreken. Het probleem is dat die informatie later kan worden gebruikt voor de vervolging van diezelfde fractievoorzitter. Een dilemma, want in het strafrecht geldt het nemo tenetur beginsel: niemand is verplicht aan zijn eigen veroordeling mee te werken.

“Dat nemo tenetur beginsel is echter niet absoluut,” zegt professor Henny Sackers, hoogleraar sanctierecht aan de Radboud Universiteit. “Bij een alcoholcontrole zul je toch echt moeten blazen. En je mag ook geen gegevens verzwijgen tegenover de Belastingdienst.” Sackers verwijst naar de Klimopzaak waarin de lagere rechter oordeelde dat informatie uit de parlementaire enquête naar de bouwfraude gebruikt mocht worden in het strafproces.

Vaak hebben rechters dergelijke verklaringen echter niet eens nodig, omdat de parlementaire verhoren veelal op televisie worden uitgezonden, zegt Sackers. De rechter kan zich dan beroepen op een zogeheten testimonium de auditu: hij heeft het zelf van horen zeggen. “Hoe dan ook zullen de fractievoorzitters moeten antwoorden, en ze moeten de waarheid spreken. Zwijgen is geen optie.”

Sackers betwijfelt of het onderzoek voldoende grond kan opleveren om een verdachte aan te wijzen, laat staan om tot een veroordeling te komen. “Voorzover ik nu kan zien, heeft de Rijksrecherche niet zoveel harde bewijzen. De gesprekken met de NRC-journalist zijn immers niet getapt. Ik denk dat mijn collega Bovend’eert aan deze zaak meer plezier gaat beleven dan ik.”

Delen:

Het belangrijkste nieuws wekelijks in uw inbox?

Abonneer u op de Mr. nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld u direct aan en ontvang elke dinsdag de Mr. nieuwsbrief.

Meest gelezen berichten

Van onze kennispartners

Juridische vacatures

Scroll naar boven