Opnieuw heeft het Openbaar Ministerie geprobeerd haar grip op het verschoningsrecht te versterken. Dit keer in een notariële zaak, waarbij volgens het OM het belang van waarheidsvinding zwaarder zou moeten wegen dan de geheimhoudingsplicht van notarissen. Over die kwestie is nu een wetsvoorstel aanhangig: niet de rechter-commissaris moet nog bepalen welke documenten onder het verschoningsrecht vallen, maar het OM zou dat mogen doen.
Beslaglegging
Een zaak waarover de Hoge Raad recentelijk uitspraak deed, gaat over het verschoningsrecht van een notaris. Een notaris en diens notarieel juridisch medewerker werden er in 2022 van verdacht de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en witwassen te hebben overtreden. In een strafrechtelijk onderzoek is beslag gelegd op stukken (ruim zesduizend digitale gegevensbestanden) waarin ook de namen voorkomen van twee niet-verdachte notarissen – in deze procedure de klagers. In 2023 besliste de rechter-commissaris dat het OM deze stukken mag inzien.
Klaagschrift
De advocaat van deze niet-verdachte notarissen, Linda van der Hut (Sjöcrona Van Stigt Advocaten) diende tegen deze r-c-beschikking een klaagschrift in omdat de stukken verschoningsgerechtigd zouden zijn. De rechtbank verklaarde deze klaagschriften in 2024 ongegrond maar in cassatie vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam, die het beklag ten aanzien van een aantal stukken gegrond verklaarde: er waren ‘geen zeer uitzonderlijke omstandigheden’ op grond waarvan het belang van de waarheidsvinding zwaarder moest wegen dan het verschoningsrecht van de klagers.
Cassatieberoep
Tegen dit oordeel ging het Openbaar Ministerie in cassatieberoep, met name over de zinsnede ‘geen zeer uitzonderlijke omstandigheden’ – die waren er volgens het OM wel, zodat het verschoningsrecht van de notarissen moest worden doorbroken.
Geen zeer uitzonderlijke omstandigheden
Nadat advocaat-generaal Petra van Kampen in juli 2026 al concludeerde tot verwerping van het beroep van het Openbaar Ministerie, komt nu de Hoge Raad tot hetzelfde oordeel. De stukken waarover het gaat staan volgens de Hoge Raad niet in een zodanig direct verband met het vermoedelijke strafbare feit, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Wat ook een rol speelt is dat de klagers zelf geen verdachte zijn en dat niet vaststaat dat de relevante gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen. De rechtbank had dus mogen concluderen dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding.
Lees hier de beschikking van de Hoge Raad.
